Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-01-08
ECLI:NL:RBMNE:2024:224
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,519 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/668 en UTR 22/669
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 januari 2024 in de zaak tussen
Mr. [A] veronderstellenderwijs handelend namens [eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder
(gemachtigde: B. Schras).
Procesverloop
Met de beschikking van 28 februari 2021 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waardes van [adres 1] (UTR 22/668) en [adres 2] (UTR 22/669) in [vestigingsplaats] voor het belastingjaar 2021 vastgesteld naar de waardepeildatum 1 januari 2020.
De heffingsambtenaar heeft bij deze beschikking aan eiser als eigenaar van de onroerende zaken ook aanslagen onroerendezaakbelasting opgelegd, waarbij deze waarden als heffingsmaatstaf zijn gehanteerd.
Eiseres is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 13 december 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op de digitale zitting van 8 januari 2024. [A] was daarbij aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, B. Schras, vergezeld door [taxateur] (taxateur) en [B] (medewerker).
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan, waarbij is gewezen op de mogelijkheid om daartegen in hoger beroep te gaan.
Overwegingen
1. Het beroep is ingesteld door [A] .
2. De rechtbank heeft bij brief van 17 februari 2022 [A] bericht dat het beroep niet voldoet aan de gestelde voorwaarden. De rechtbank heeft hem daarom in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken een schriftelijke machtiging, waaruit blijkt dat deze machtiging zich uitstrekt tot het verrichten van proceshandelingen en het aanwenden van rechtsmiddelen, alsnog toe te sturen.
3. In deze brief is nadrukkelijk vermeld dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren, indien het geconstateerde verzuim niet tijdig wordt hersteld.
4. [A] heeft bij brief van 18 maart 2022 gereageerd op de brief van 17 februari 2022 en heeft een ondertekende volmacht van 11 maart 2021 overgelegd. In deze volmacht machtigt [C] [A] om (onder meer) beroep in te stellen.
5. De rechtbank heeft bij brief van 14 juli 2022 [A] bericht dat het beroep niet voldoet aan de gestelde voorwaarden. De rechtbank heeft hem daarom in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken een schriftelijke machtiging, waaruit blijkt dat deze machtiging zich uitstrekt tot het verrichten van proceshandelingen en het aanwenden van rechtsmiddelen, alsnog toe te sturen.
6. Ook in deze brief is nadrukkelijk vermeld dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren, indien het geconstateerde verzuim niet tijdig wordt hersteld.
7. [A] heeft bij brief van 21 juli 2022 gereageerd op de brief van 14 juli 2022 en heeft een uittreksel overgelegd van [eiseres] B.V., [onderneming 1] B.V., [onderneming 2] B.V., [onderneming 3] B.V., en [onderneming 4] B.V.
8. Uit de uittreksels leidt de rechtbank af dat [eiseres] B.V. is opgevolgd door [onderneming 1] B.V. en dat [onderneming 1] B.V. is opgevolgd door [onderneming 2] B.V. Vervolgens is [onderneming 2] B.V. gesplitst in [onderneming 3] B.V., [onderneming 5] B.V. en [onderneming 6] B.V. De rechtbank kan met de volmacht van 11 maart 2021 (getekend door [C] ) en de overgelegde uittreksels van [onderneming 3] B.V., [onderneming 5] B.V. en [onderneming 6] B.V. niet vaststellen dat [A] bevoegd is om namens eiseres ( [eiseres] B.V. en haar opvolgers) beroep in te stellen. [A] heeft met de brieven van 18 maart 2022 en 21 juli 2022 de door de rechtbank gevraagde – maar onherleidbare – stukken toegestuurd, kort na de brieven van de rechtbank. Met de brieven van 17 februari 2022 en 14 juli 2022 is [A] in de gelegenheid is gesteld het geconstateerde verzuim te herstellen in de zin van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht.
9. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank komt dus niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
10. [A] heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure over de belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat [eiseres] B.V. (en haar opvolgers) beroep wenste in te stellen en een procedure wilde starten. Om die reden kan ook niet worden vastgesteld dat [eiseres] B.V. (en haar opvolgers) immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van A. Kasi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2024.
de griffier is verhinderd om het
proces-verbaal te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop het proces-verbaal van deze uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer). Dit proces-verbaal is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat. U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.