Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-03-27
ECLI:NL:RBMNE:2024:2083
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,481 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/564133 / JE RK 23-1759
Datum uitspraak: 27 maart 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. mr. M. van Harskamp,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- de beschikking van 1 december 2024;
- de brief van de GI met bijlagen van 23 februari 2024.
1.2.
Op 27 maart 2024 heeft de kinderrechter de mondelinge behandeling van de zaak met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder (telefonisch) met haar advocaat en bijgestaan door een tolk Spaanse taal, mevrouw E. Epelbaum;
- mevrouw [A] als vertegenwoordigster van de GI.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan mevrouw [begeleidster] , begeleidster van de moeder van de Tussenvoorziening.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij [afdeling] van [instelling] .
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 1 december 2023 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 12 december 2024. De kinderrechter heeft bij dezelfde beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 1 april 2024 en voor het overige deel aangehouden.
3Het verzoek
3.1.
De kinderrechter moet nog een beslissing nemen op het aangehouden deel van het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
4De standpunten
4.1.
De moeder is het er niet mee eens dat [minderjarige] terug wordt geplaatst bij de vader. Zij wilt dat [minderjarige] bij haar komt wonen en zij denkt dat dit het beste is voor [minderjarige] . De moeder is het daarom eens met de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing als de GI dan verder gaat onderzoeken waar [minderjarige] het beste teruggeplaatst kan worden.
4.2.
De vader is het niet eens met het verzoek. Hij wilt dat [minderjarige] zo snel mogelijk weer bij hem terug wordt geplaatst en een regelmatige zorgregeling met de moeder heeft. De vader denkt dat dit ook in het belang is van [minderjarige] . De verlofmomenten bij hem verlopen goed. [minderjarige] gaat naar buiten met vrienden en hij houdt zich aan de regels.
Beoordeling
De beslissing
5.1.
De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengen tot het einde van de ondertoezichtstelling. Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter namelijk van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, onderzoek van zijn geestelijke toestand en onderzoek van zijn lichamelijke toestand (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek).
De huidige situatie
5.2.
In de aanloop van de beschikking van 1 december 2023 waarin de beslissing op de machtiging tot uithuisplaatsing gedeeltelijk is aangehouden, ging het goed met [minderjarige] op de groep. Hij profiteerde van de rust en de regelmaat van de groep, waardoor hij minder zelfbepalend gedrag vertoonde, zich goed ontwikkelde en het bezoek van de ouders goed verliep. De omgangsmomenten met de ouders zijn daarom na de beschikking van 1 december 2023 uitgebreid, zodat toegewerkt kon worden naar een terugplaatsing van [minderjarige] bij een van de ouders. [minderjarige] verblijft nu ieder weekend bij de vader of de moeder. De kinderrechter vindt het treurig om te horen dat het gedrag van [minderjarige] sindsdien ernstig achteruit is gegaan en dat hij opnieuw verbaal en fysiek geweld op de groep vertoont. Dit is namelijk hetzelfde gedrag als [minderjarige] vertoonde vóór de machtiging tot uithuisplaatsing. Volgens [organisatie] komt dit doordat [minderjarige] veel onduidelijkheden ervaart in de thuissituatie bij de ouders. De ouders verschillen namelijk erg van visie over de opvoeding van [minderjarige] en zij uiten constant beschuldigingen naar elkaar. Dit terwijl [minderjarige] juist veel behoefte heeft aan rust, regelmaat en structuur. [minderjarige] heeft zelf ook benoemd dat hij veel last heeft van de ruzies tussen de ouders. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat [minderjarige] onder deze omstandigheden niet terug naar huis kan.
5.3.
De kinderrechter vindt het zeer zorgelijk dat het de ouders maar niet lukt om in het belang van [minderjarige] met elkaar te communiceren en afspraken te maken over zijn opvoeding. De ouders blijven met modder gooien naar elkaar, ook nu zij zien dat [minderjarige] er last van heeft. De kinderrechter vindt dit kwalijk, met name omdat het goed leek te gaan met [minderjarige] en hij fijn contact had met beide ouders. De ouders beseffen zich niet dat zij een oorzaak zijn van het gedrag van [minderjarige] . Zij zullen zich moeten realiseren dat hun strijd om [minderjarige] niet in zijn belang is en er niet voor zorgt dat hij snel naar huis kan.
Wat moet er gebeuren?
5.4.
Voordat [minderjarige] thuisgeplaatst kan worden, vindt de kinderrechter het nodig dat de gezinssituaties bij beide ouders verbetert door middel van de hulpverlening zoals geadviseerd door SAVE. Zo vindt de kinderrechter het belangrijk dat de ouders zich inzetten voor de opvoedondersteuning van [organisatie] , zodat zij leren hoe zij bij [minderjarige] kunnen aansluiten, zijn frustraties kunnen herkennen en hoe zij hiermee om kunnen gaan. Ook zullen zij regels op moeten stellen die passen bij de behoeften en ontwikkeling van [minderjarige] en zullen zij zich hier beiden aan moeten houden. Daarnaast vindt de kinderrechter het nodig dat de ouders het traject Solo Parallel Ouderschap gaan volgen, waarbij zij leren hoe zij met elkaar het ouderschap vorm kunnen geven zonder dat [minderjarige] last heeft van de strijd. Het is belangrijk dat de ouders [minderjarige] niet belasten met hun frustraties en zorgen over de opvoedsituatie bij de andere ouder. Alleen dan zal [minderjarige] rust kunnen ervaren en het gevoel gaan hebben dat hij het bij beide ouders fijn mag hebben.
5.5.
Gelet op de hulpverlening die nog moet worden ingezet en de doelen die bereikt moeten worden, vindt de kinderrechter het passend om de machtiging tot uithuisplaatsing tot het einde van de ondertoezichtstelling te verlengen. De kinderrechter hoopt echter dat het de ouders lukt om in het belang van [minderjarige] eerder hun strijdbijl te begraven en een fijne opvoedsituatie voor [minderjarige] bij beide ouders te creëren.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 12 december 2024;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2024 door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Joosten als griffier, en op schrift gesteld op 12 april 2024.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.