Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-04-08
ECLI:NL:RBMNE:2024:2072
Civiel recht
Kort geding
3,161 tokens
Inleiding
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/571906 / KG ZA 24-134 RJ/58605
Vonnis in kort geding van 8 april 2024
in de zaak van
CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS,
gevestigd te Den Haag,
eisende partij,
advocaat: mr. I. Mamouni te Den Haag,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
wonende te [woonplaats] ,2. [gedaagde sub 2],
procederend voor zichzelf en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige kinderen [minderjarige 1], [minderjarige 2] EN [minderjarige 3],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
procederend in persoon.
Partijen zullen hierna het COA, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het COA heeft [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gedagvaard in kort geding bij dagvaarding van 15 maart 2024 met producties 1 tot en met 20.
Op 25 maart 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij waren aan de zijde van het COA aanwezig de heer [A] en de heer [B] , bijgestaan door mr. Mamouni. [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en de minderjarige kinderen van [gedaagde sub 2] waren ook aanwezig. Aan hun zijde waren ook aanwezig de heer [C] (meerderjarige zoon van [gedaagde sub 2] en referent), mevrouw [D] (begeleidster van referent) en de heer [E] (vriend van referent en optredende als tolk). Het COA heeft een pleitnota voorgedragen, partijen hebben op vragen van de rechter geantwoord en op elkaar gereageerd. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.
1.2.
Hierna is bepaald dat het vonnis vandaag wordt uitgesproken.
2Wat is er gebeurd?
2.1.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben de Syrische nationaliteit en verblijven in het AZC in [woonplaats] (hierna: het AZC). [gedaagde sub 2] – de moeder – heeft op 21 augustus 2023 met terugwerkende kracht vanaf 28 juli 2023 een vergunning asiel verkregen. [gedaagde sub 1] – haar meerderjarige zoon – en haar minderjarige zonen hebben op 31 oktober 2023 met terugwerkende kracht vanaf 28 juli 2023 een verblijfsvergunning regulier gekregen.
2.2.
Op 29 augustus 2023 heeft het COA aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] per brief een vooraankondiging ‘beëindiging opvang’ gestuurd. Daarin is aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] medegedeeld dat zij met het verkrijgen van een verblijfsvergunning in aanmerking komen voor huisvesting in een gemeente. Daarbij is uitgelegd dat het COA [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] koppelt aan een gemeente die hen vervolgens dwingend en eenmalig passende woonruimte zal aanbieden. In de brief zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] er voorts op gewezen dat, indien zij de aangeboden passende woonruimte weigeren, zij gehouden zijn het AZC te verlaten en zelf woonruimte dienen te zoeken.
2.3.
Op diezelfde dag heeft ook een huisvestingsgesprek plaatsgevonden, waarin is geïnformeerd of er omstandigheden aanwezig zijn waar rekening mee moet worden gehouden bij het vinden van huisvesting. De inhoud van dit gesprek is vastgelegd in een gespreksverslag in de vorm van een B06-formulier dat door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is ondertekend.
2.4.
Kort daarna heeft het COA [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geïnformeerd dat de gemeente [gemeente] bereid was om een woonruimte voor [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] beschikbaar te stellen en dat zij hun een passend aanbod voor huisvesting zou gaan doen.
2.5.
Op 6 december 2023 heeft er een preventief woningweigeringsgesprek plaatsgevonden tussen het COA en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , omdat het COA via via te horen had gekregen dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de woning (die nog niet formeel aangeboden was) wilden weigeren. In dit gesprek hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aangegeven dat, en waarom, zij van mening zijn dat de aangeboden woning niet passend is.
2.6.
Op 12 december 2023 is de woonruimte aan de [adres] in de gemeente [gemeente] formeel aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aangeboden. Het is een appartement op een hoger gelegen etage zonder lift.
2.7.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vinden de woning niet passend en hebben de woning geweigerd.
2.8.
Naar aanleiding van de weigering heeft op 22 december 2023 een eerste woonweigeringsgesprek plaatsgevonden met [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . In dit gesprek hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] wederom aangegeven dat zij van mening zijn dat de aangeboden woning niet passend is, omdat [gedaagde sub 2] geen trappen zou kunnen lopen en angst voor liften heeft en [gedaagde sub 1] last heeft van zijn oog.
2.9.
Het COA heeft de weigering van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] heroverwogen. Na de heroverweging heeft het COA besloten dat de aangeboden woning passend is en dat de woningweigering door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onterecht is.
2.10.
Op 29 december 2023 heeft een tweede woningweigeringsgesprek plaatsgevonden met [gedaagde sub 2] . In dat gesprek heeft het COA aangegeven dat zij de weigering om de woning te accepteren onterecht heeft bevonden en dat een laatste kans wordt geboden om de woning alsnog binnen 24 uur te accepteren. Het COA heeft meegedeeld dat indien zij de woning niet alsnog zouden accepteren de opvang zou worden beëindigd. Ook heeft het COA aangekondigd een ontruimingsprocedure te starten indien [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de opvanglocatie niet verlaten.
2.11.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben hun weigering van de woning gehandhaafd.
2.12.
Bij per aangetekende en gewone post verzonden brief van 22 januari 2024 heeft de advocaat van het COA [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gesommeerd om het AZC binnen drie dagen te ontruimen.
2.13.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben aan de sommatie geen gehoor gegeven.
3Wat wil het COA en wat vinden [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] daarvan?
3.1.
Het COA vordert in deze procedure dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden veroordeeld om de bij hen in gebruik zijnde ruimte(n) in het AZC te ontruimen. Omdat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet zijn teruggekomen op hun weigering van de woning in [woonplaats] , is het recht op opvang van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] volgens het COA van rechtswege geëindigd. De gemeente [gemeente] heeft hen immers een passende woonruimte geboden en dat aanbod hebben zij geweigerd. Door het eindigen van het recht op opvang, verblijven [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onrechtmatig in het AZC. Ook vordert het COA veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren verweer en blijven bij hun standpunt dat de woning niet passend is, omdat [gedaagde sub 2] geen trappen kan lopen.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4Wat oordeelt de kantonrechter?
Is er sprake van een spoedeisend belang? Ja
4.1.
Een vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als er sprake is van een spoedeisend belang. Dat is het geval. De opvangcentra van het COA zitten overvol. Het COA moet daarom op korte termijn een beslissing kunnen krijgen over de vraag of de plek van gedaagden vrij komt voor anderen. Van het COA kan niet verwacht worden dat zij de uitkomst van een bodemprocedure daarover afwacht.
Moeten gedaagden weg uit het AZC? Ja
4.2.
Voor de toewijzing van een voorziening zoals door het COA wordt gevorderd, moet het in hoge mate waarschijnlijk zijn dat eenzelfde vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit het geval is en zal dat hierna verder toelichten.
Er is sprake van passende huisvesting
4.3.
Ingevolge artikel 7 lid 1 onder a Rva 2005 eindigen de verstrekkingen aan asielzoekers op de dag waarop naar het oordeel van het COA passende huisvesting buiten de opvangvoorziening kan worden gerealiseerd. De opvang van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in het AZC eindigt dus van rechtswege indien zij een aanbod van het COA voor passende huisvesting hebben geweigerd.
Conclusie
4.9.
Uit het voorgaande volgt, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, dat het COA aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een passende woonruimte heeft aangeboden. Weigering van die woonruimte heeft ingevolge het Rva 2005 tot gevolg dat het recht op opvang in het AZC is geëindigd. Daarmee staat eveneens voorshands vast dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zonder recht of titel in de opvanglocatie AZC [woonplaats] verblijven, hetgeen een onrechtmatig handelen jegens het COA oplevert. De gevorderde ontruiming zal dan ook worden toegewezen. De voorzieningenrechter ziet – ondanks de schrijnende situatie waarin de minderjarige kinderen zich door de beslissingen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zich bevinden – onvoldoende bijzondere omstandigheden om de termijn voor ontruiming te verlengen.
Proceskosten
4.10.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van het COA worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
137,46
- griffierecht
€
688,00
- salaris advocaat
€
715,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.718,46
Dictum
De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] om de bij hen in gebruik zijnde ruimte(n) in het AZC in [woonplaats] op het adres [adres] , of elke andere door het COA verzorgde opvanglocatie, binnen zeven dagen na de betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden, met al het hunne en al de hunnen;
5.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de proceskosten van € 1.718,46, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.G.F. van der Kraats en bij haar afwezigheid in het openbaar uitgesproken door mr. O.P. van Tricht op 8 april 2024.