Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-04-03
ECLI:NL:RBMNE:2024:1984
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
1,483 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1576
uitspraak van voorzieningenrechter van 3 april 2024 in de zaak tussen
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. S. Karkache),
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening dat verzoeker heeft ingediend op 6 maart 2024 tegen het besluit van verweerder van 29 februari 2024.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Het verzoekschrift voldoet namelijk niet aan de wettelijke eisen, waardoor de voorzieningenrechter de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de voorzieningenrechter dat verder uit.
Waar gaat dit verzoek over?
2. Verzoeker heeft verweerder op 6 februari 2024 verzocht hem in te schrijven in de Basisregistratie Personen. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen bij besluit van 29 februari 2024. Volgens verweerder heeft verzoeker geen rechtmatig verblijf en voldoet hij daarom niet aan een in artikel 2.4, eerste lid, van de Wet basisregistratie personen genoemd vereiste voor inschrijving.
Beoordeling
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Verzoeker heeft als spoedeisend belang aangegeven dat hij zonder inschrijving in de BRP geen BSN-nummer kan krijgen en geen zorgverzekering kan afsluiten.
4. De voorzieningenrechter heeft bij brief van 7 maart 2024 verzoeker meegedeeld dat zijn verzoek niet voldoet aan de voorwaarden die aan een verzoekschrift worden gesteld. Verzoeker moet zijn spoedeisend belang nog onderbouwen. Ook is verzoeker verzocht om mee te delen welke voorlopige voorziening wordt gevraagd. De voorzieningenrechter heeft verzoeker een termijn van twee weken verleend om te reageren. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker niet heeft gereageerd op deze brief.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat er sprake is van spoedeisend belang en dat dit aan verzoeker zelf is te wijten. In het verzoekschrift staat dat verzoeker zonder inschrijving in de Brp geen zorgverzekering kan afsluiten en noodzakelijke medische kosten niet kunnen worden betaald. Tevens is een ongedateerde brief overgelegd van Hart voor Werk waarin wordt bevestigd dat verzoeker toegang krijgt tot zorg bij hart voor Werk als hij een geldige zorgverzekering en BSN-nummer heeft. Daarmee is niet onderbouwd dat er sprake is van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter is ook niet gebleken van een dreigende onomkeerbare situatie.
6. Omdat verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het besluit van het college “evident onrechtmatig” is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven.
7. Verzoeker heeft hierover aangevoerd dat hij rechtmatig verblijf heeft in Nederland in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000. Verzoeker licht toe dat hij een aanvraag heeft gedaan om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid van de Vreemdelingenwet. Die aanvraag is door de staatssecretaris van justitie en veiligheid afgewezen bij besluit van 22 januari 2024. Verzoeker heeft tegen dat besluit beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Daarom heeft hij hier verblijfsrecht.
8. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker in een eerdere procedure een tergkeerbesluit is opgelegd. Dit besluit staat in rechte vast. Dat betekent dat verzoeker geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft.
9. Het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening betekent niet dat verzoeker in Nederland rechtmatig verblijf heeft. Uit het besluit van de staatssecretaris blijkt dat als verzoeker binnen 24 uur een voorlopige voorziening indient, hij de uitspraak op dat verzoek om voorlopige voorziening in Nederland mag afwachten. Uit de door verweerder op 21 maart 2024 overgelegde stukken blijkt dat verzoeker niet binnen 24 uur een verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend, zodat verzoeker daaraan geen rechtmatig verblijft ontleend. Het is de rechtbank verder niet gebleken dat het verzoek is toegewezen.
10. Tot slot stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoeker heeft verzocht om ontheffing van het betalen van griffierecht. Verzoeker is daarom bij brief van 7 maart 2024 verzocht om binnen een week een formulier in te vullen. Verzoeker heeft daar niet op gereageerd. Het griffierecht is nog niet betaald.
Conclusie
11. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk, omdat spoedeisend belang ontbreekt. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt (artikel 8:83 Awb).
Verzoeker krijgt geen gelijk en daarom ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening
niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2024.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep of in verzet.