Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-04-02
ECLI:NL:RBMNE:2024:1977
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,884 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 81.051278.23 (ontneming)
Vonnis van de meervoudige economische kamer van 2 april 2024 op de vordering van de officier van justitie tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen
[veroordeelde]
gevestigd aan de [adres] ,
[vestigingsplaats] ,
hierna: veroordeelde.
1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 11 maart 2024. Dat onderzoek is gesloten op de zitting van 2 april 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr. J.P. Senior en van hetgeen [vennoot] , vennoot van veroordeelde, namens veroordeelde en de raadsvrouw van veroordeelde, mr. C.A. van Kooten-de Jong, advocaat te Montfoort, naar voren hebben gebracht.
2VORDERING
2.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 20.800,00 kan worden toegewezen. De betalingsverplichting kan op hetzelfde bedrag worden vastgesteld.
2.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 20.800,00 moet worden afgewezen. In het jaar 2019 had veroordeelde runderen eerder laten slachten als zij had geweten dat zij boven haar fosfaatrechten zou produceren. Het is daarom niet zo dat veroordeelde leasebetalingen voor de verkrijging van voldoende fosfaatrechten heeft uitgespaard. In het jaar 2020 heeft veroordeelde ook geen kosten bespaard, omdat zij de benodigde fosfaatrechten zelf in eigendom had. Veroordeelde had de fosfaatrechten dus niet bij hoeven kopen of leasen.
Beoordeling
3.1
De grondslag van de vordering
De veroordeelde is bij vonnis van 2 april 2024 van deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld voor de volgende strafbare feiten:
Feit 1 en feit 2: telkens, overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 21b eerste lid van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon,
in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020.
De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit. Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit de strafbare feiten die de veroordeelde heeft begaan (artikel 36e, lid 2 Wetboek van Strafrecht).
3.2
Beoordeling
Over het jaar 2019
Uit het vonnis in de hoofdzaak van 2 april 2024 volgt dat veroordeelde in 2019 het op haar bedrijf rustende fosfaatrecht (3810 kilogram) heeft overschreden met 117,59 kilogram fosfaatrechten.
Veroordeelde had de overschrijding van fosfaatrechten in 2019 moeten compenseren door fosfaatrechten bij te leasen of te kopen. Die transactie moet gemeld worden aan de RVO, waarvoor leges per transactie betaald moet worden. De leges bedragen € 100,00 per transactie. De berekening van de leaseprijs per kilogram fosfaat is uitgewerkt in de “Nota leaseprijzen fosfaatrechten 2019 incl. bijlagen.” De berekende leaseprijs is € 34,00 per kilogram fosfaat.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel door het niet leasen van de benodigde kilogrammen fosfaat, die nodig zijn voor de productie aan dierlijke meststoffen door melkvee van veroordeelde in 2019, bedraagt:
Overschrijding 117,59 kilogram fosfaat
Leaseprijs per kilogram fosfaat € 34,00 x
Totale leasekosten € 3.998,06
Leges € 100,00 +
Wederrechtelijk verkregen voordeel € 4.098,06
Gelet hierop stelt de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel voor het jaar 2019 vast op € 4.098,06.
De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de verdediging. Dat veroordeelde (wellicht) bepaalde runderen eerder had geslacht als zij daarmee het op haar rustende fosfaatrecht niet of beperkter had overschreden, doet niet ter zake. De rechtbank moet alleen vaststellen of veroordeelde ten gevolge van het bewezenverklaarde feit voordeel heeft gehad. Dat heeft zij gehad, in de vorm van bespaarde kosten.
Over het jaar 2020
De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat veroordeelde in 2020 geen financieel voordeel heeft gehad. Uit het vonnis in de hoofdzaak van 2 april 2024 volgt dat veroordeelde in 2020 het op haar bedrijf rustende fosfaatrecht (3960 kilogram) heeft overschreden met 456,41 kilogram fosfaatrechten. Uit het dossier blijkt echter ook dat zij in 2019 473 kilogram van haar eigen fosfaatrechten had uitgeleased aan [bedrijf] . Door een vergissing zijn deze rechten niet teruggeleased voor het jaar 2020. De 473 kilogram fosfaatrechten stonden daardoor voor het jaar 2020 geregistreerd bij [bedrijf] . Uit een verklaring van [bedrijf] blijkt dat zij in 2020 geen runderen hield. [bedrijf] had de fosfaatrechten dus niet nodig. Daarmee is aannemelijk dat veroordeelde geen inkomsten heeft ontvangen in 2020 van [bedrijf] voor de uitgeleasde fosfaatrechten. Veroordeelde heeft aangevoerd dat zij haar eigen 473 kilogram fosfaatrechten voor het jaar 2020 dus zelf had kunnen gebruiken en dus geen fosfaatrechten bij had hoeven te leasen om de overschrijding te compenseren.
De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde aannemelijk heeft gemaakt dat zij over 2020 geen financieel voordeel heeft behaald door meer fosfaatrechten uit te stoten dan op haar bedrijf rustende fosfaatrechten. De rechtbank stelt het wederrechtelijk voordeel voor het jaar 2020 dus vast op € 0,00.
3.3
Betalingsverplichting
De rechtbank stelt het bedrag dat door veroordeelde dient te worden betaald aan de staat, vast op € 4.098,06.
4TOEGEPAST WETSARTIKEL
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 4.098,06;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 4.098,06 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Maas, voorzitter, mr. H.A. Brouwer en mr. J.P. Verboom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.M. Dijkstra, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 april 2024.
Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, genummerd 137318, van 6 februari 2023, opgemaakt op ambtseed of op ambtsbelofte door opsporingsambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, pagina 28 van 30.