Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-03-27
ECLI:NL:RBMNE:2024:1853
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,123 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 10891746 \ MC EXPL 24-548
Vonnis in incident van 27 maart 2024
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.J.M. Groen,
tegen
UVM VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V.,
te Hoogeveen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: UVM,
gemachtigde: mr. D.D. Markvoort.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties, van 15 januari 2024; - de incidentele conclusie van [eiser] tot voeging ex artikel 222 Rv;
- de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Geschil
2.1.
[eiser] vordert in het incident dat de onderhavige zaak op grond van artikel 222 Rv wordt gevoegd met de bij deze rechtbank aanhangige zaak met zaaknummer 10809720 MC EXPL 23-6918 ( [eiser] / ANWB B.V.). Hij legt daaraan ten grondslag dat beide zaken betrekking hebben op hetzelfde onderwerp en ook overigens sterk verweven zijn.
2.2.
UVM concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering. Zij stelt dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de zaak tegen ANWB B.V. (hierna: ANWB), omdat niet ANWB maar UVM de contractspartij van [eiser] is, en dat de onderhavige procedure doorgang kan vinden. Een voeging van zaken is volgens UVM niet de juiste weg.
Beoordeling
3.1.
[eiser] heeft eerst ANWB gedagvaard en daarin betaling van € 14.380,- gevorderd uit hoofde van een gesloten reis- en annuleringsverzekering. ANWB heeft daarop een brief naar de advocaat van [eiser] gestuurd met de mededeling dat hij de verkeerde partij heeft gedagvaard, omdat niet ANWB, maar UVM de verzekeraar en daarmee de contractspartij van [eiser] is. [eiser] heeft daarop ook een procedure tegen UVM aanhangig gemaakt en vordert in beide procedures voeging.
3.2.
Op grond van artikel 222 Rv kan, in geval voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn, voeging van die zaken worden gevorderd. Van verknochtheid is sprake wanneer de feitelijke of juridische geschilpunten in de ene zaak identiek zijn aan die in de andere, dan wel daarmee zodanige samenhang vertonen dat consistentie van de uitspraken is geboden. Niet is vereist dat het gaat om procedures tussen dezelfde partijen.
3.3.
Voorkomen moet worden dat er in deze zaken tegenstrijdige beslissingen worden genomen, bijvoorbeeld over de vraag wie als contractuele wederpartij van [eiser] geldt. Dit is ofwel ANWB, ofwel UVM. Naar het oordeel van de kantonrechter is een gevoegde behandeling daarom wenselijk, dat wil zeggen dat er een gezamenlijke behandeling en beslissing van beide procedures door één en dezelfde rechter plaatsvindt. Ook is een voeging en behandeling door dezelfde rechter om proceseconomische redenen wenselijk. Van verknochtheid is daarom sprake, zodat de gevorderde voeging wordt toegewezen.
3.4.
Hoewel de incidentele vordering van [eiser] wordt toegewezen, wordt hij wel in de kosten van het incident veroordeeld. Deze kosten zijn nodeloos veroorzaakt als bedoeld in artikel 237 Rv. Het is immers aan [eiser] te wijten dat er twee afzonderlijke zaken aanhangig zijn gemaakt, waardoor het noodzakelijk werd dit incident op te werpen. De kosten aan de zijde van UVM worden begroot op € 271,00 aan salaris gemachtigde.
Dictum
in het incident:
4.1.
voegt de hoofdzaak met de bij deze rechtbank aanhangige zaak met zaaknummer 10809720 MC EXPL 23-6918;
4.2.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van UVM, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 271,00 aan salaris gemachtigde;
in de hoofdzaak:
4.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 24 april 2024 om 11:00 uur voor het nemen van een conclusie van antwoord door UVM;
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2024.
45353