Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-03-21
ECLI:NL:RBMNE:2024:1800
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
906 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/3452
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 maart 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] (België), eiser
(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en
Belastingdienst/Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 10 maart 2023 om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.
Op 22 augustus 2023 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. Het beroep is ingediend bij de rechtbank Rotterdam, die het vervolgens heeft doorgestuurd naar de rechtbank Midden-Nederland. Deze laatste rechtbank is namelijk de bevoegde rechtbank om op het beroep van eiser te beslissen.
2. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
3. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
4. In het verweerschrift stelt verweerder dat er geen sprake is van niet tijdig beslissen ten tijde van de ingebrekestelling. Eiser heeft op 10 maart 2023 aangemeld voor de integrale herbeoordeling. Bij brief van 6 april 2023 heeft verweerder de ontvangst van deze aanmelding bevestigd. De beslistermijn eindigde op 10 september 2023 en is door verweerder bij brief van 17 augustus 2023 verlengd met 6 maanden. Verweerder had dus nog tot 10 maart 2024 de tijd om een beslissing te nemen. De ingebrekestelling is door verweerder ontvangen op 21 juli 2023, dat is voor het einde van de beslistermijn.
5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat verweerder op 21 juli 2023 nog niet te laat was met beslissen en dus niet in gebreke was. De ingebrekestelling is niet geldig. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Artikel 8:7, tweede lid, van de Awb
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.