Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-03-27
ECLI:NL:RBMNE:2024:1788
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,486 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/553518 / HA ZA 23-177
Vonnis van 27 maart 2024
in de zaak van
[eiseres]
,
wonende in [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. M. Cortet,
tegen
[gedaagde]
,
wonende in [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. A.P. van Stralen.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties van [eiseres] van 9 februari 2023;
de conclusie van antwoord met eis in reconventie van [gedaagde] van 31 maart 2023;
de conclusie van antwoord in reconventie van [eiseres] van 30 mei 2023;
het bericht van [eiseres] met aanvullende productie van 24 februari 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling (zitting) vond plaats op 8 maart 2024. Hierbij waren partijen, samen met hun advocaten, aanwezig. Verder was A.S. Choukti als tolk in de Marokkaans Arabisch taal voor de vrouw aanwezig (tolknummer: 40403). Partijen hebben hun standpunten toegelicht en de vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft hier aantekeningen van gemaakt. Ten slotte is bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.
2Waar gaat het over?
2.1.
Partijen zijn op [trouwdatum] 1998 met elkaar getrouwd in Marokko.
2.2.
[eiseres] heeft de Marokkaanse nationaliteit. [gedaagde] heeft de Marokkaans en Nederlandse nationaliteit.
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 28 februari 2022 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is ingeschreven in de registers van de Burgerlijke stand.
2.4.
Partijen zijn het oneens over de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijk. Volgens [eiseres] is tussen partijen op enig moment een gemeenschap van goederen ontstaan en heeft zij een vordering op de gemeenschap, vanwege een aan haar verknochte smartengelduitkering van € 22.802,54. Daarnaast moeten volgens haar de tot de gemeenschap behorende woning (inclusief inboedel) in Marokko en de bankrekeningen van partijen worden verdeeld op de door haar voorgestelde wijze. De tot de gemeenschap behorende inboedel van de huurwoning in Nederland is al verdeeld, aldus [eiseres] . Ten slotte vordert zij dat [gedaagde] haar proceskosten moet betalen.
2.5.
[gedaagde] heeft verweer gevoerd. Hij stelt dat de Nederlandse rechter onbevoegd is, omdat de woning (met inboedel) in Marokko is gelegen. Verder heeft [gedaagde] op de zitting zijn verweer tegen de verknochtheid van de smartengelduitkering van [eiseres] laten varen en bevestigd dat deze aan haar is verknocht. [gedaagde] betwist echter dat daaruit een vordering volgt op de gemeenschap, omdat [eiseres] van dat geld vakanties, cadeaus en inboedel heeft betaald. De inboedel van het appartement in Nederland is volgens [gedaagde] niet verdeeld, maar achtergebleven bij [eiseres] . Hij vordert daarom (in reconventie) betaling van € 5.000,–. Dat bedrag is volgens hem gelijk aan de helft van de waarde van die inboedel. [gedaagde] heeft op zitting ingestemd met het voorstel van [eiseres] over de verdeling van de bankrekeningen van partijen.
2.6.
[gedaagde] krijgt geen gelijk. Dit betekent dat de vorderingen van [eiseres] (gedeeltelijk) worden toegewezen en de vordering van [gedaagde] wordt afgewezen. Hoe deze beslissing tot stand is gekomen, wordt hierna uitgelegd. Vanwege de samenhang tussen de vorderingen van partijen over en weer zullen deze vorderingen (in conventie en in reconventie) hierna gezamenlijk, per onderwerp, worden beoordeeld.
Beoordeling
De bevoegde rechter en het recht dat van toepassing is
3.1.
De Nederlandse rechtbank is bevoegd te beslissen op de vorderingen van partijen, vanwege de laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats van partijen. Dit vloeit voort uit een Europese verordening die van toepassing is op juridische procedures over de vermogensrechtelijke betrekkingen tussen (voormalige) echtgenoten die na 29 januari 2019 zijn gestart. Het standpunt van [gedaagde] dat de rechtsmacht moet worden beoordeeld aan de hand van de Nederlandse regels over relatieve bevoegdheid is onjuist. Deze regels betreffen niet de rechtsmacht, maar regelen welke rechter binnen Nederland bevoegd is, indien de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Die rechtsmacht wordt primair bepaald door verdragen en Europese verordeningen en dan pas door de nationale regels.
3.2.
Geschil
3.3.
Vervolgens moet worden beoordeeld welk recht moet worden toegepast. Dit is geregeld in het Haags Huwelijks vermogensverdrag 1978 (HHV 1978), dat van toepassing is op huwelijken die zijn gesloten na 1 september 1992 en voor 29 januari 2019, zoals het huwelijk van partijen.
3.4.
Het is niet gebleken dat partijen voor of tijdens het huwelijk een (geldige) rechtskeuze hebben gemaakt. [eiseres] heeft verder (onbetwist) gesteld dat zij pas op 14 september 2000 (bijna twee jaar na hun huwelijk) naar Nederland is verhuisd. Hierdoor hebben partijen geen eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk. Omdat zij bij het sluiten van het huwelijk wel een gemeenschappelijke nationaliteit hadden, wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het recht van het land van die gemeenschappelijke nationaliteit. Dat is Marokkaans recht. Het Marokkaanse recht kent geen gemeenschap van goederen. Vanaf het moment dat [eiseres] in Nederland is komen wonen (14 september 2000) is echter het Nederlandse recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen.Dat recht is nog steeds van toepassing. Uit de stellingen van partijen valt niet af te leiden dat partijen nog vermogen hebben van voor 14 september 2000 waarop het Marokkaanse recht van toepassing zou kunnen zijn. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat het Nederlands recht van toepassing is op het hele vermogen van partijen.
Verdeling ontbonden algehele huwelijksgoederengemeenschap
3.5.
Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden opgesteld en zijn vóór 1 januari 2018 getrouwd. Dat betekent dat op 14 september 2000 een algehele gemeenschap van goederen is ontstaan. Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op 12 juli 2021 ontbonden. Dat betekent in dit geval dat alle goederen die partijen op die datum (de zogenoemde ‘peildatum’) hadden, moeten worden verdeeld. Partijen zijn het op een aantal punten niet eens over de wijze waarop dit moet gebeuren. Hierna zal eerst in kaart worden gebracht welke goederen deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten. Uitgangspunt bij de verdeling is dat ieder van partijen in beginsel recht heeft op de helft van de waarde van de goederen. Daarbij geldt steeds dat voor de waarde van de goederen moet worden aangesloten bij de waarde op de datum van de feitelijke verdeling, tenzij uit een overeenkomst tussen partijen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hiervan moet worden afgeweken.
Omvang van de gemeenschap
3.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat de huwelijksgoederengemeenschap in ieder geval bestaat uit de volgende activa:
de woning van partijen in [woonplaats 1] , [locatie] , woonwijk [naam] gelegen in Marokko (hierna: de woning in Marokko);
de inboedel in de woning in Marokko;
de bankrekening ten name van [eiseres] ; en
de bankrekening ten name van [gedaagde] .
3.7.
Partijen zijn het niet eens of de inboedel die zich nu in de voormalig echtelijke woning van partijen in Nederland bevindt tot de activa van de gemeenschap behoort. De vrouw stelt zich op het standpunt dat die inboedel door haar pas na de ontbinding van de gemeenschap is gekocht en dus tot haar privévermogen behoort. De oude inboedel die tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort zou volgens haar al zijn verdeeld. De rechtbank wil er wel in meegaan dat de vrouw, zoals zij stelt na de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap een aantal nieuwe inboedelgoederen heeft aangeschaft, maar dat de gehele inboedel die dateert van voor de ontbinding al is verdeeld zoals [eiseres] heeft gesteld (en [gedaagde] heeft weersproken) blijkt nergens uit. Van [eiseres] had mogen verwacht dat zij deze door [gedaagde] weersproken stelling, verder had uitgewerkt of toegelicht. Dit heeft zij niet gedaan. Dit betekent dat wordt aangenomen dat de inboedel die aanwezig was ten tijde van de ontbinding van de gemeenschap (net als de inboedel van de woning in Marokko) nog onverdeeld is gelaten door partijen en tot de activa van de gemeenschap behoort.
3.8.
Ook over de passiva van de gemeenschap, verschillen partijen van mening. [gedaagde] betwist namelijk dat [eiseres] een vordering heeft op de gemeenschap ter hoogte van de aan haar verknochte smartengelduitkering. Dat [eiseres] een aan haar verknochte smartengelduitkering heeft ontvangen van € 20.302,54, staat wel vast. Verder is niet in geschil dat deze uitkering (na een eerder ontvangen voorschot van € 3.000,-) door de verzekeraar is betaald op de bankrekening ten name van [gedaagde] op 1 april 2011 en dat deze uitkering op dit moment niet meer giraal of contant aanwezig is. Deze uitkering is, zoals [eiseres] terecht stelt, na overboeking op een bankrekening waarvan het saldo tot de gemeenschap van partijen behoort door vermenging onderdeel geworden van het gemeenschapsvermogen. Voor beantwoording van de vraag of [eiseres] vervolgens een vergoedingsrecht heeft tegenover de gemeenschap, is van belang hoe dat geld is besteed. Is het geld namelijk aangewend voor louter privédoeleinden van [eiseres] dan heeft zij geen vergoedingsrecht. Volgens [eiseres] is met behulp van deze schade-uitkering de woning van partijen in Marokko gekocht voor 400.000,– Dirham op 26 september 2011. [gedaagde] stelt echter dat het bedrag door [eiseres] is besteed aan dure vakanties, cadeaus en inboedel. Stukken of verklaringen die de door partijen over en weer geschetste gang van zaken bevestigen, ontbreken.
De rechtbank neemt echter toch als vaststaand aan dat de door [gedaagde] in 2011 gekochte woning in Marokko onder andere is betaald met gelden afkomstig van de smartengelduitkering. Hierbij speelt mee dat de datum van uitbetaling van het smartengeld en de datum van aankoop van de woning in Marokko zeer dicht bij elkaar zijn gelegen en het smartengeld (omgerekend) ruim de helft van de totale aankoopsom was. Daarnaast is van belang dat niet is gesteld of gebleken dat de woning in Marokko volledig met ander inkomen of met spaargeld van partijen vrij van hypotheek kon worden gekocht.
[eiseres] heeft om die reden – en in lijn met de rechtspraak van de Hoge Raad – een vergoedingsrecht op de huwelijksgoederengemeenschap. Dit vergoedingsrecht is nominaal omdat de woning vóór 1 januari 2012 is gekocht. Dat komt neer op een bedrag dat gelijk is aan de aan haar verknochte smartengelduitkering van € 20.302,54. Overigens zou [eiseres] in beginsel een zelfde vergoedingsrecht hebben als het smartengeld zou zijn uitgegeven aan gemeenschapsschulden, waartoe doorgaans ook de kosten worden gerekend van (gezamenlijke) vakanties, cadeaus en inboedel. Pas als deze vakanties, cadeaus en inboedel geheel als privé-uitgaven van [eiseres] kunnen worden aangemerkt zou zij geen vergoedingsrecht hebben. [gedaagde] heeft daarvoor onvoldoende gesteld.
Woning in Marokko
3.9.
Bij het gelasten van de (wijze van) verdeling komt de rechtbank een grote mate van vrijheid toe. Op de zitting heeft [gedaagde] verteld dat hij wil dat de woning aan hem wordt toegedeeld. Hoewel [eiseres] heeft betwist dat [gedaagde] in staat is om de woning over te nemen, heeft zij er ter zitting wel mee ingestemd dat hem een termijn wordt verleend om zijn financieringsmogelijkheden te onderzoeken. Tegelijkertijd is nog niet duidelijk wat de waarde van de woning in Marokko is en daarom moet een taxatie plaatsvinden. Ook is niet duidelijk of [gedaagde] de woning tegen de taxatiewaarde zal kunnen overnemen. Als [gedaagde] hiertoe niet in staat blijkt, dan moet de woning verkocht worden. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling gelasten op de wijze als in het dictum omschreven.
Dictum
Proceskosten
3.13.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De rechtbank
in conventie en in reconventie
4.1.
verklaart voor recht dat [eiseres] een vergoedingsrecht van € 20.302,54 heeft op de huwelijksgoederengemeenschap van partijen;
4.2.
gelast de wijze van verdeling van de woning in Marokko als volgt:
de woning zal worden toegedeeld aan [gedaagde] tegen een nog te taxeren marktwaarde per datum taxatie, onder de voorwaarde dat [gedaagde] binnen vier weken na datum taxatierapport aan de vrouw aantoont dat hij in staat is de woning over te nemen;
de woning moet uiterlijk binnen zes weken na heden zijn getaxeerd door een door partijen nog aan te wijzen makelaar. Ten behoeve van de aanwijzing van de makelaar die de woning zal taxeren, zal [eiseres] binnen een termijn van één week na heden drie makelaars voorstellen aan [gedaagde] , die er op zijn beurt binnen één week daarna één uit zal kiezen. Partijen zullen de gekozen makelaar vervolgens binnen een week na die keuze gezamenlijk een opdracht tot taxatie geven. Beide partijen behoren hun medewerking aan de taxatie te verlenen en dienen op behoorlijke wijze in de gelegenheid te worden gesteld bij de taxatie aanwezig te zijn. Partijen moeten de kosten van de taxatie ieder voor de helft dragen;
indien aan de hiervoor onder a. genoemde voorwaarde wordt voldaan, zal de vrouw haar aandeel in de woning overdragen aan de man uiterlijk op 1 juli 2024, onder de voorwaarde dat door de man aan haar wordt uitgekeerd i) een bedrag gelijk aan de helft van haar vergoedingsrecht van € 20.302,54; en ii) een bedrag gelijk aan de helft van de getaxeerde waarde van de woning. De kosten van de notariële overdracht moeten door partijen bij helfte worden gedragen;
indien en voor zover niet aan de hiervoor onder a. genoemde voorwaarde wordt voldaan, zal de woning worden verkocht en geleverd aan een derde, waartoe partijen gezamenlijk een verkoopopdracht zullen verstrekken aan de hiervoor bedoelde makelaar, die partijen, indien zij geen overeenstemming bereiken, bindend zal adviseren ten aanzien van de vraag- en laatprijs. Bij verkoop en levering van de woning moeten uit de verkoopopbrengst de kosten verbonden aan de verkoop en levering worden voldaan en het vergoedingsrecht van [eiseres] op de gemeenschap. Partijen zijn vervolgens ieder voor de helft gerechtigd tot de resterende opbrengst.
Partijen zijn gehouden om alle voor de hierboven beschreven toedeling aan de man c.q. verkoop aan een derde noodzakelijke stukken te ondertekenen. In geval van verkoop aan een derde zijn zij daarnaast gehouden op de te bepalen datum van overdracht van de woning in Marokko aan deze derde volledige medewerking te verlenen door ondertekening van de notariële leveringsakte en ondertekening van alle overige voor deze levering noodzakelijke stukken en medewerking te verlenen aan inschrijving van deze akte in de daarvoor bestemde registers.
4.3.
deelt de saldi op de bankrekening(en) op naam van [eiseres] toe aan haar, zonder nadere verrekening met [gedaagde] ;
4.4.
deelt de saldi op de bankrekening(en) op naam van [gedaagde] toe aan hem, zonder nadere verrekening met [eiseres] ;
4.5.
deelt de tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende inboedel die [eiseres] onder zich heeft toe aan haar, zonder nadere verrekening met [gedaagde] ;
4.6.
deelt de tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende inboedel die [gedaagde] onder zich heeft toe aan hem, zonder nadere verrekening met [eiseres] ;
4.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.8.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.E. Manning en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2024.
Artikel 6 onder b Verordening (EU) 2016/1103.
Artikel 4 lid 2 sub 3 HHV 1978.
Artikel 7 lid 2 sub 3 HHV 1978.
Hoge Raad 10 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0469; Hoge Raad 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5576.
type: MM/5518
coll: