Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-09-14
ECLI:NL:RBMNE:2023:7781
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,773 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/255
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2023 in de zaak tussen
[eiser] , eiser(es),
(beweerdelijk gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Vijfheerenlanden, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat mr. D.A.N. Bartels MRE (Bartels) beweerdelijk namens eiser(es) heeft ingediend tegen het besluit van de heffingsambtenaar van de gemeente Vijfheerenlanden (verweerder).
De zitting heeft middels een MS-Teams verbinding plaatsgevonden op 4 september 2023. Eiser(es) is zelf niet verschenen, maar Bartels wel. Namens de heffingsambtenaar zijn de heer [A] en de heer [taxateur] verschenen.
Overwegingen
1. In het beroepschrift heeft Bartels volstaan met de vermelding dat het beroep is ingesteld namens een belanghebbende, zonder de gegevens van de persoon namens wie hij beroep instelt te vermelden, met daarbij de opmerking dat de gemeente anoniem uitspraak heeft gedaan. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat de artikelen 6:5 en 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) er toe strekken om het niet mogelijk te maken beroep in te stellen namens nog onbekende personen. Het betreft hier geen vormverzuim dat op grond van artikel 6:6 van de Awb kan worden hersteld. De in artikel 8:1, in samenhang met de artikelen 6:7 en 6:11 van de Awb, neergelegde regeling met betrekking tot de beroepstermijn brengt met zich dat de identiteit van degene namens wie beroep wordt ingesteld, voor afloop van de beroepstermijn kenbaar moet zijn. Deze rechtspraak is ook van toepassing in het belastingrecht.
2. In dit geval liep de beroepstermijn tot en met 25 februari 2022. Bartels heeft in zijn brief van 28 februari 2022 verwezen naar het inleidende beroepsschrift en/of aanslagbiljet en hij schrijft dat hij namens [eiser] optreedt. De rechtbank heeft verder op
31 maart 2022 van Bartels een volmacht ontvangen die is ondertekend door [persoon] . De rechtbank stelt vast dat Bartels niet tijdig stukken heeft overgelegd waaruit de identiteit van degene namens wie hij beroep heeft ingesteld blijkt, danwel dat [eiser] en
[persoon] één en dezelfde persoon zijn. De identiteit van eiser(es) was dus niet binnen de beroepstermijn bekend. Het is eveneens vaste rechtspraak van de Afdeling dat een dergelijk verzuim zich niet leent voor herstel. De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 20 juli 2016 en 20 juli 2005 (ECLI:NL:RVS:2016:980). Dat betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is.
3. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 Awb). Daarom zal het beroep niet inhoudelijk worden behandeld.
4. Voor een vergoeding van de proceskosten is geen aanleiding.
Overschrijding redelijke termijn
5. Eiser(es) heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
6. Het is niet uitgesloten dat in een procedure over een niet-ontvankelijk beroep een vergoeding kan worden toegekend voor geleden immateriële schade. Op grond van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) moeten belastinggeschillen immers binnen een redelijke termijn worden berecht. Er geldt dat wel als voorwaarde dat sprake is van een situatie waarin het geschil inhoudelijk aan de rechter is voorgelegd. Aan die voorwaarde is niet voldaan als niet binnen de beroepstermijn identiteit van eiser(es) is overlegd. De rechtbank verwijst hiervoor naar een arrest van de Hoge Raad van 2 december 2016. Uit dat arrest volgt dat er in beginsel geen uitspraak hoeft te worden gedaan over een verzoek tot toekenning van immateriële schadevergoeding wegens een overschrijding van de redelijke termijn, als het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat niet is voldaan aan de vereiste om binnen de beroepstermijn de identiteit van eiser(es) in te dienen.
7. Dat is slechts anders als de rechtbank uitspraak doet op het beroep nadat sinds het instellen van het beroep meer dan anderhalf jaar is verstreken. De rechtbank heeft het beroepschrift van Bartels ontvangen op 14 januari 2022. Op het moment van deze uitspraak is er dus meer dan anderhalf jaar verstreken.
8. De hiervoor onder 7. genoemde termijn gelden behoudens bijzondere omstandigheden. Tot de bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlenging van die termijnen wordt gerekend de invloed van eiser(es) en/of haar gemachtigde op de duur van het proces. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen, dat de redelijke termijn moet worden verlengd. De rechtbank legt dat hierna uit.
9. Wat betreft de schadevergoeding, oordeelt de rechtbank dat de vertraging aan eiser(es) is toe te rekenen. Gelet op de vertraging die is ontstaan wegens het niet tijdig indienen van een volmacht en wegens het indienen van een verzoek om betalingsonmacht, waarvan het de gemachtigde op voorhand duidelijk zou moeten zijn dat deze zou worden afgewezen, is een termijnoverschrijding van ruim twee maanden toe te rekenen aan eiser(es). De rechtbank is daarom van oordeel dat door de handelwijze van de gemachtigde van eiser(es) de procedure met ruim twee maanden is vertraagd.
10. Gelet op de door de gemachtigde van eiser(es) veroorzaakte vertraging in de procedure van circa twee maanden, is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn dienovereenkomstig moet worden verlengd. Dit leidt tot de conclusie dat in dit geval de redelijke termijn niet is overschreden. De rechtbank zal het verzoek om immateriële schadevergoeding daarom afwijzen.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek van eiser(es) om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van
O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 september 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
ABRvS 20 juli 2016, (ECLI:NL:RVS:2016:2031) en ABRvS 13 april 2016, (ECLI:NL:RVS:2016:980).
ECLI:NL:HR:2016:2723
Zie ook de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 31 mei 2023, (ECLI:NL:RBMNE:2023:2562).