Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-11-15
ECLI:NL:RBMNE:2023:7778
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,375 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
C/16/552402 / HA ZA 23-140Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/552402 / HA ZA 23-140
Vonnis van 15 november 2023
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres,
advocaat: mr. P.T.F. Langerak te Alphen aan den Rijn,
tegen
de naamloze vennootschap
[gedaagde] N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
advocaat: mr. P.C. Tennekes te Utrecht.
Partijen worden hierna [eiseres] (in enkelvoud) en [gedaagde] genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 30 januari 2023 met producties,
de conclusie van antwoord met producties,
een akte met een aanvullende productie van [eiseres] ,
een antwoordakte van [gedaagde] ,
een aanvullende productie van [gedaagde] ,
aanvullende producties van [eiseres] .
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 29 september 2023 plaatsgevonden. De advocaten van partijen hebben spreekaantekeningen voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder is besproken.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Tennekes, de advocaat van [gedaagde] , bezwaar gemaakt tegen kennisneming van de rechtbank van de producties 11 tot en met 13 van [eiseres] . Mr. Tennekes heeft aangevoerd dat de rechtbank deze producties buiten beschouwing moet laten, omdat de producties te laat zijn ingediend en [gedaagde] in haar verdedigingsbelang is geschaad.
1.4.
De rechtbank heeft het bezwaar van mr. Tennekes gegrond bevonden en de producties 11 tot en met 13 van [eiseres] buiten beschouwing gelaten. [eiseres] heeft de producties op 27 september 2023 aan de rechtbank en [gedaagde] toegezonden, dus minder dan twee dagen voor de mondelinge behandeling. Daarmee zijn de producties buiten de termijn van tien dagen, zoals is bedoeld in artikel 4.9. van het geldende procesreglement, overgelegd. [eiseres] heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. Mr. Langerak heeft weliswaar gesteld dat hij pas kort voor de zitting de beschikking kreeg over deze documenten, maar dat komt voor rekening en risico van [eiseres] . De stukken hebben betrekking op onderwerpen waarvan in de dagvaarding al is gesteld dat partijen hierover een geschil hebben. Dat blijkt ook wel uit de conclusie van antwoord. [eiseres] had als reactie daarop de stukken eerder in het geding moeten brengen.Doordat voormelde producteis eerst op 27 september 2023 zijn ingediend is [gedaagde] in haar verdedigingsbelang geschaad. Bij de producties zat geen toelichting waaruit de relevantie bleek. Ook was het voor mr. Tennekes niet mogelijk om (volledig) verweer te voeren tegen deze producties, vanwege de omvang van de producties en resterende tijd vanaf ontvangst van de stukken tot aan de mondelinge behandeling.
1.5.
Daarna is vonnis bepaald op vandaag.
2Waar gaat deze zaak over?
Geschil
2.1.
[eiseres] stelt dat zij door een op 7 april 2022 opgemaakte akte van cessie vorderingen van [onderneming] B.V. (hierna: [onderneming] ) op [gedaagde] heeft overgenomen. [eiseres] vordert na vermindering van eis een verklaring van recht dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit een overeenkomst die zij met [onderneming] heeft gesloten. [eiseres] wil dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding. Dat is volgens [eiseres] minimaal € 150.000,-, te vermeerderen met wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
2.2.
[gedaagde] heeft de stellingen van [eiseres] betwist en concludeert dat de vorderingen van [eiseres] moeten worden afgewezen.
Nadere toelichting van het geschil
2.3.
[gedaagde] heeft in februari 2019 een Diensten Pakket Overeenkomst (hierna: de Overeenkomst) gesloten met [onderneming] . [gedaagde] heeft een deel van haar verzekeringen ondergebracht in de Overeenkomst. Zij betaalde daarvoor een vast bedrag per jaar. Een ander deel van de verzekeringen sloot [gedaagde] per bouwproject af via [onderneming] . Zij betaalde daarvoor een prijs per project dat in overleg met [onderneming] werd vastgesteld. [gedaagde] heeft de Overeenkomst op 19 december 2019 met onmiddellijke ingang opgezegd. [eiseres] stelt dat [gedaagde] daardoor is tekortgeschoten, omdat de Overeenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd, namelijk tot 31 december 2020. [gedaagde] heeft geen opzegtermijn in acht genomen of gewichtige redenen genoemd waardoor zij de Overeenkomst mocht opzeggen. [onderneming] heeft daardoor schade geleden. Die schade bestaat uit het mislopen van de overeengekomen vergoeding die [gedaagde] voor het jaar 2020 aan [onderneming] zou betalen, een bedrag van € 100.000,-. Ook heeft [onderneming] schade geleden doordat zij in 2020 geen provisievergoeding kreeg voor de verzekeringen van de losse bouwprojecten. In 2019 ging het om een provisiebedrag van € 50.000,-.
2.4.
[gedaagde] betwist als eerste dat de vordering van [onderneming] op [gedaagde] rechtsgeldig aan [eiseres] is overgedragen. Ook doet zij een beroep op pauliana om de akte van cessie te vernietigen. Daarnaast betwist [gedaagde] dat zij tekort is geschoten in de nakoming van de Overeenkomst. Ze stelt dat de Overeenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan. Maar ook als de Overeenkomst voor bepaalde tijd zou zijn gesloten, stelt zij dat zij de Overeenkomst mocht opzeggen zonder opzegtermijn. [gedaagde] betwist dat [onderneming] schade heeft geleden door de opzegging van de Overeenkomst.
Beoordeling
3.1. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiseres] af. Hierna wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot deze beslissing is gekomen.
Geen rechtsgeldige cessie
3.2.
De rechtbank kan niet vaststellen dat een rechtsgeldige cessie heeft plaatsgevonden van de vorderingen die [eiseres] in deze procedure heeft ingesteld tegen [gedaagde] . Daarom is [eiseres] niet gerechtigd om deze vorderingen tegenover [gedaagde] in te stellen.
3.3.
Uit de wet (artikel 3:84 lid 2 BW) volgt dat in de akte van cessie de vorderingen die worden overgedragen voldoende moeten zijn bepaald. Het moet dus voldoende duidelijk zijn welke vorderingen [onderneming] aan [eiseres] heeft overgedragen.
3.4.
De akte van cessie voldoet niet aan het vereiste van ‘voldoende bepaalbaarheid’. In de akte van cessie staat dat [onderneming] een vordering op [gedaagde] overdraagt aan [eiseres] en dat die vordering nader is omschreven in de dagvaarding van 4 juni 2020. [eiseres] is deze procedure begonnen met een dagvaarding van 30 januari 2023. De dagvaarding van 4 juni 2020 is niet overgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [onderneming] deze dagvaarding destijds wel aan [gedaagde] heeft betekend, maar niet bij de rechtbank heeft aangebracht. [gedaagde] heeft daardoor begrepen dat [onderneming] de procedure tegen haar destijds niet wilde doorzetten waarna zij de dagvaarding van 4 juni 2020 heeft weggegooid.
3.5.
Bijna twee jaar na het betekenen van de dagvaarding van 4 juni 2020 is de akte van cessie ondertekend door [onderneming] en [eiseres] , beiden in de persoon van de heer [A] . De dagvaarding van 4 juni 2020 is niet als bijlage toegevoegd aan de aan de rechtbank overgelegde kopie van de akte van cessie. Ook is niet op een andere wijze in de akte van cessie verduidelijkt om welke vordering het gaat. [eiseres] heeft dan ook niet onderbouwd dat zij gerechtigd is om de vordering in deze procedure tegen [gedaagde] in te stellen.
3.6.
[eiseres] heeft voldoende gelegenheid gekregen en aanleiding moeten zien om dat te onderbouwen door de dagvaarding van 4 juni 2020 in het geding te brengen. Zo konden de rechtbank en [gedaagde] controleren of [onderneming] in de dagvaarding van 4 juni 2020 dezelfde vordering tegenover [gedaagde] heeft ingesteld als [eiseres] dat in deze procedure heeft gedaan. [eiseres] heeft de akte van cessie in eerste instantie niet bij de dagvaarding van 30 januari 2023 overgelegd. De rechtbank heeft ruim voor de mondelinge behandeling deze akte bij [eiseres] opgevraagd. Daarbij heeft de rechtbank [eiseres] in de gelegenheid gesteld om een toelichting te geven op de cessie. Die toelichting is niet gegeven. Ook heeft [gedaagde] reeds in haar conclusie van antwoord diverse bezwaren geuit tegen de rechtsgeldigheid van de cessie, dat voor [eiseres] een “trigger” had moeten zijn om haar stelling dat de in geding zijnde vordering van [onderneming] aan haar is overgedragen nader te onderbouwen door overlegging van de dagvaarding van 4 juni 2020. Dat zij dat heeft nagelaten komt voor haar rekening en risico.
3.7.
Nu [eiseres] heeft nagelaten te onderbouwen welke vordering door middel van de akte van cessie aan haar is overgedragen en uit de akte van cessie zelf niet blijkt welke vordering op 7 april 2022 is overgedragen, heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat [eiseres] de onderhavige ingestelde vorderingen tegenover [gedaagde] van [onderneming] heeft overgedragen gekregen. Daarom moeten de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen.
3.8.
Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding om de cessie te vernietigen, zoals [gedaagde] bij wijze van verweer heeft gevorderd ingeval zou worden vastgesteld dat sprake is van een rechtsgeldige cessie.
Rechtmatige opzegging door [gedaagde]
3.9.
Maar ook in het geval dat de vorderingen wel rechtsgeldig zouden zijn overgedragen, zou de rechtbank de vorderingen van [eiseres] hebben afgewezen.
3.10.
Bij de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen is ten eerste het antwoord op de vraag relevant of er sprake is van een overeenkomst voor bepaalde of voor onbepaalde tijd. Nu partijen hierover van mening verschillen, moet de Overeenkomst worden uitgelegd. De uitleg vindt plaats aan de hand van de bekende Haviltex-maatstaf. Er moet worden gekeken naar de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Hierbij zijn alle concrete omstandigheden van het geval van belang.
3.11.
De Overeenkomst, die [onderneming] en [gedaagde] in 2019 hebben gesloten, is een overeenkomst van opdracht voor bepaalde tijd. De Overeenkomst heeft een looptijd van twee jaar, tot 31 december 2020.
3.12.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen verklaard dat [onderneming] en [gedaagde] vanaf 2012 ieder jaar een overeenkomst sloten met een looptijd van een jaar. In de titel van die overeenkomsten werd steeds het betreffende jaar vermeld en ook werden er ieder jaar prijsafspraken voor dat betreffende jaar gemaakt. In 2019 zijn zij van deze werkwijze afgeweken. In de titel en het onderwerp van de Overeenkomst staat ‘DPO 2019 – 2020’ vermeld. Er is bij het aangaan van de Overeenkomst ook direct een prijsafspraak gemaakt voor zowel 2019 als 2020. [gedaagde] heeft deze Overeenkomst ondertekend zonder bezwaar te maken tegen of vragen te stellen over de titel ‘DPO 2019 – 2020’.
3.13.
[gedaagde] heeft onvoldoende gemotiveerd uitgelegd waarom zij in 2019 prijsafspraken voor twee jaar wilde maken, terwijl de looptijd van de Overeenkomt volgens haar wel maar een jaar zou zijn. En dat nadat zij in de voorgaande jaren steeds voor een jaar de overeengekomen vergoeding met [onderneming] afsprak.
3.14.
Gelet op de titel van de Overeenkomst, de gemaakte prijsafspraken voor de jaren 2019 en 2020 en het feit dat er in eerdere jaren steeds een overeenkomst voor een jaar werd gesloten met een bijbehorende prijsafspraak voor dat jaar, mocht [onderneming] er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de looptijd van de Overeenkomst twee jaar zou zijn, tot 31 december 2020.
3.15.
Het feit dat er sprake is van een overeenkomst voor bepaalde tijd maakt echter niet dat [gedaagde] de Overeenkomst niet op 19 december 2019 met onmiddellijke ingang mocht opzeggen. Artikel 7:408 lid 1 BW bepaalt dat een overeenkomst van opdracht te allen tijde door de opdrachtgever kan worden opgezegd. Dit geldt ook als de overeenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan. [gedaagde] is een professionele opdrachtgever. Daarom kon [onderneming] in de Overeenkomst de opzeggingsbevoegdheid van [gedaagde] uitsluiten of beperken door middel van het hanteren van een opzegtermijn. Ook konden partijen afspreken dat de Overeenkomst alleen bij zwaarwegende gronden mocht worden opgezegd of dat er een vergoeding moest worden betaald bij opzegging. Het staat vast dat partijen hierover geen schriftelijke of mondelinge afspraken hebben gemaakt.
Redelijkheid en billijkheid
3.16.
Deze afspraken kunnen ook voortvloeien uit de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. [eiseres] heeft daar echter geen stellingen over ingenomen. Er is geen reden om te bepalen dat [gedaagde] een opzegtermijn had moeten hanteren. Zo heeft [eiseres] bijvoorbeeld niet gesteld dat [onderneming] tijd nodig had om haar bedrijfsvoering aan te passen als [gedaagde] plotseling als klant zou wegvallen. In de dagvaarding heeft [eiseres] gesteld dat [onderneming] een groot aantal klanten had. Het is niet gebleken dat [onderneming] (financieel) afhankelijk was van de werkzaamheden voor [gedaagde] .
Conclusie
3.19. De vorderingen van [onderneming] zijn niet rechtsgeldig aan [eiseres] overgedragen. Daarom kan [eiseres] deze vorderingen niet in deze procedure tegenover [gedaagde] instellen. Maar ook als dat anders was, zouden de vorderingen worden afgewezen. [gedaagde] heeft de Overeenkomst rechtsgeldig tussentijds en met onmiddellijke ingang opgezegd waarbij [eiseres] geen aanspraak kan maken op een (schade)vergoeding. Om die reden worden ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en rente afgewezen.
Proceskosten
3.20.
[eiseres] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten. Dit betekent dat zij haar eigen proceskosten moet dragen en de proceskosten van [gedaagde] aan haar moet betalen. Deze kosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht € 5.737,-- salaris advocaat € 3.760,- (2 punten x tarief V)totaal € 9.497,-
3.21.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten worden toegewezen op de wijze zoals in het dictum wordt vermeld.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.22.
[gedaagde] heeft gevorderd de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Daartegen is [eiseres] niet opgekomen. Evenmin zijn feiten en/of omstandigheden dan wel belangen van [eiseres] gebleken die aan toewijzing van die vordering in de weg staan. Het vonnis wordt wat betreft die veroordeling daarom op grond van het bepaalde in artikel 233, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat [eiseres] moet voldoen aan de veroordelingen en dat [gedaagde] het vonnis ten uitvoer kan leggen, ongeacht of hiertegen hoger beroep wordt ingesteld.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
4.2.
veroordeelt [eiseres] in de kosten; zij moet de proceskosten van [gedaagde] aan haar betalen, tot op vandaag begroot op € 9.497,- te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag van betaling,
4.3.
veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 173,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 90,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis,
4.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen in de randnummers 4.2. en 4.3. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2023.
type: 5427 (NK)
coll: