Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-06-07
ECLI:NL:RBMNE:2023:7743
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,256 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel rechtkantonrechter
locatie Almere
Vonnis van 7 juni 2023
in de zaak met zaaknummer / rolnummer 10020748 / MC EXPL 22-4363 (HHt/37278) van
[eiser]
,wonende te [woonplaats 1] ,eiser, hierna ook te noemen: [eiser] ,gemachtigde B. Visser (van Juristu Incassodiensten B.V.)
tegen
[gedaagde]
,wonende te [woonplaats 2] ,gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde] ,gemachtigde mr. M.W. Huijzer,
toevoegingsnummer: 3LN7976.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 22 februari 2023 en de daarin genoemde stukken;
de brief van deze rechtbank van 9 maart 2023, waarin een mondelinge behandeling op 24 april 2023 is bepaald;
de mondelinge behandeling op 24 april 2023 en de zittingsaantekeningen die daarvan door de griffier zijn gemaakt.
1.2.
De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is.
2De verdere beoordeling
2.1.
[eiser] stelt bij dagvaarding dat hij een bedrag van € 8.000,00 aan [gedaagde] heeft uitgeleend. Ter zitting heeft [eiser] de opbouw van het bedrag van € 8.000,00 als volgt toegelicht. [gedaagde] heeft hem gevraagd om wat geld te lenen, want de moeder van [gedaagde] wilde haar stuk land in Suriname verkopen. Voor de verkoop van het stuk land van de moeder van [gedaagde] was geld nodig. Het geld was nodig om de makelaar in Suriname te betalen. In totaal heeft [eiser] € 4.535,00 overgemaakt naar de makelaar van de moeder van [gedaagde] - [makelaar] -. [eiser] geeft aan dat hij op 17 februari 2016 dit bedrag in twee delen aan de makelaar van de moeder van [gedaagde] heeft overgemaakt: één keer een bedrag van € 2.500,00 -dat rechtstreeks is overgemaakt naar de bankrekening van de makelaar- en één keer een bedrag van € 2.035,00 -dat hij, nadat hij het bedrag van zijn eigen bankrekening heeft opgenomen, via het grenswisselkantoor naar de makelaar heeft overgemaakt-. Het geleende bedrag zou [gedaagde] binnen maximaal twee weken aan hem terugbetalen. Volgens [eiser] heeft hij met [gedaagde] geen afspraak over de betaling van de rente gemaakt. Hij heeft het geld in goed vertrouwen aan [gedaagde] geleend, omdat zij goede vrienden waren. Om aan [gedaagde] het geld uit te kunnen lenen, heeft hij zelf bij de bank een lening moeten afsluiten. Het was de bedoeling dat hij snel zijn lening bij de bank weer zou aflossen, omdat [gedaagde] binnen maximaal twee weken hem het geld zou terugbetalen, maar dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Nu wil hij dat [gedaagde] hem de rente, die hij voor de aflossing van de lening aan de bank heeft betaald, ook terugbetaalt. De rentekosten waren € 2.000,00. Daarnaast heeft hij anderhalf jaar lang de wegenbelasting voor de auto van [gedaagde] betaald. [gedaagde] had een auto gekocht. Omdat [gedaagde] in de schuldsanering zat, mocht [gedaagde] geen auto op zijn naam hebben staan. Daarom werd de auto van [gedaagde] op zijn naam gezet en heeft hij anderhalf jaar lang voor [gedaagde] de wegenbelasting van € 50,00 per maand betaald. [gedaagde] heeft hem toegezegd de wegenbelasting aan hem terug te betalen, zodra hij het geld zou hebben. In totaal heeft [gedaagde] hem één keer € 50,00 gegeven voor de betaling van de wegenbelasting.
2.2.
Hierna zullen de afzonderlijke onderdelen van het geleende bedrag worden besproken.
De geldlening van € 4.535,00
2.3.
In zijn conclusie van antwoord en conclusie van dupliek heeft [gedaagde] het bestaan van de gestelde geldlening betwist. Ter zitting heeft mr. Huijzer namens [gedaagde] het verweer van [gedaagde] aangevuld met een beroep op verjaring met betrekking tot het bedrag van € 4.535,00 dat volgens [eiser] aan [gedaagde] is geleend. Voor zover het standpunt van [eiser] gevolgd zou worden en er sprake zou zijn van een lening van € 4.535,00, is dit deel van de vordering verjaard, aldus [gedaagde] , omdat ter zitting is gebleken dat het bedrag al op 17 februari 2016 in twee delen aan [gedaagde] is uitgeleend. Het bedrag had binnen maximaal twee weken terugbetaald moeten worden en dat is niet gebeurd. Volgens [gedaagde] is de verjaringstermijn toen gaan lopen en om die reden is ten tijde van de gevoerde WhatsAppgesprekken in november 2021 en december 2021 en het uitbrengen van de dagvaarding op 25 juli 2022, dit deel van de vordering al verjaard. De vordering moet voor dit deel dan ook worden afgewezen, aldus [gedaagde] .
2.4.
Partijen twisten derhalve over de vraag of er tussen hen een geldleningovereenkomst tot stand is gekomen. Naar het oordeel van de kantonrechter kan de beoordeling van deze vraag evenwel in het midden worden gelaten en wel om het volgende. Voor zover het standpunt van [eiser] , dat er sprake is van een geldleningsovereenkomst tussen partijen, juist is dan is de vordering al verjaard.
2.5.
Een vordering, zoals hier aan de orde, verjaart door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag volgend op die waarop de vordering opeisbaar is geworden (artikel 3:307 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)). De verjaring kan worden gestuit door (onder meer) het instellen van eis (artikel 3:316 BW) en/of een schriftelijke aanmaning/mededeling (artikel 3:317 lid 1 BW), waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. In dat laatste geval begint een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaren te lopen met de aanvang van de volgende dag (artikel 3:319 lid 1 en 2 BW).
2.6.
Uit hetgeen [eiser] ter zitting heeft toegelicht over het moment van het verstrekken van de geldbedragen aan de makelaar van de moeder van [gedaagde] alsmede uit productie 1 bij de conclusie van repliek -die overigens slecht leesbaar is-, blijkt dat [eiser] al op 17 februari 2016 de volgens hem geleende geldbedragen van € 2.500,00 en € 2.035,00 aan [gedaagde] heeft verstrekt. Deze geldbedragen zouden maximaal binnen twee weken ná 17 februari 2016 terugbetaald moeten worden door [gedaagde] , dus uiterlijk op 2 maart 2016. [gedaagde] heeft het geldbedrag niet binnen deze termijn aan [eiser] terugbetaald, zodat deze op 3 maart 2016 opeisbaar is geworden. De verjaringstermijn van 5 jaren is, gelet op het bepaalde in artikel 3:307 BW, derhalve gaan lopen op 3 maart 2016 en de vordering verjaart, zonder stuitingshandelingen, op 3 maart 2021. Niet is gesteld of gebleken dat [eiser] tussen 3 maart 2016 en 3 maart 2021 de vordering heeft gestuit. Uit de Whatsappberichten die als productie 1 bij dagvaarding zijn overgelegd volgt dat [eiser] pas op 4 november 2021 voor het eerst aan [gedaagde] te kennen heeft gegeven dat hij (onder andere) het verstrekte geldbedrag van in totaal € 4.535,00 terug wilde ontvangen. Dat is te laat, zodat de vordering ten aanzien van het bedrag van € 4.535,00 is verjaard.
2.7.
Voor zover [eiser] heeft willen aanvoeren dat het beroep op verjaring tardief is, omdat [gedaagde] dit verweer al bij conclusie van antwoord en/of conclusie van dupliek had kunnen voeren, gaat de kantonrechter daaraan voorbij. In de dagvaarding heeft [eiser] , althans Juristu, enkel aangegeven dat hij een bedrag van € 8.000,00 aan [gedaagde] heeft uitgeleend zonder ook maar iets te vermelden over de opbouw van dit bedrag en over het moment waarop dit geldbedrag aan [gedaagde] is verstrekt. Bij conclusie van repliek geeft [eiser] vervolgens aan dat het om twee geldbedragen van in totaal € 4.500,00 gaat die aan [gedaagde] zouden zijn verstrekt, maar ook dit is verder niet toegelicht. Enkel wordt verwezen naar een productie 1 bij de conclusie van repliek -overzicht van overschrijvingen met datum-, maar nog daargelaten dat dit overzicht slecht leesbaar is, enige toelichting bij dit overzicht ontbreekt. Daardoor was niet duidelijk om welke geldbedragen uit het overzicht het ging en wanneer de geldbedragen van in totaal € 4.500,00 aan [gedaagde] zouden zijn verstrekt. Uit het overzicht viel immers niet af te leiden dat er bedragen aan [gedaagde] waren overgemaakt en om welke reden er kennelijk bedragen aan “een kennis van [gedaagde] in Suriname” waren overgemaakt.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst de vorderingen af;
3.2.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 660,00 aan salaris gemachtigde;
3.3.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2023.