Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-08-17
ECLI:NL:RBMNE:2023:7676
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,070 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 22/4099 en UTR 22/4543
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 augustus 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.M. Breukers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. L.A. Sluiter).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [Derde partij] uit [plaats]
(gemachtigde: mr. P.J. Gijsbertsen).
Inleiding
Eiser is eigenaar van het pand aan de [adres] in [plaats] en heeft het college verzocht om omgevingsvergunningen voor het reconstrueren van een keldermuur en het deels vernieuwen van de achterzijde van het pand. Het college heeft beide verzoeken buiten behandeling gelaten.
Procesverloop
Eiser heeft op 24 mei 2019 het college verzocht om een omgevingsvergunning te verlenen voor het reconstrueren van een keldermuur tussen zijn pand en het buurpand van derde-partij. In een brief van 19 juli 2019 heeft het college aan eiser meegedeeld dat aannemelijk is dat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt, omdat de buren geen toestemming geven voor het bouwen op hun perceel. Daardoor is eiser geen belanghebbende en is het verzoek van eiser om een vergunning geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eisers verzoek is buiten behandeling gesteld.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van 19 juli 2019. Omdat een beslissing op dit bezwaar uitbleef, heeft eiser beroepen bij de rechtbank en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit.
In het besluit van 23 augustus 2022 (het bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.
Procesverloop
Eiser heeft op 13 mei 2020 het college verzocht om een omgevingsvergunning te verlenen voor het gedeeltelijk vervangen en/of vernieuwen van de achterkant van het pand aan de [adres] in [plaats] . In een brief van 17 september 2020 heeft het college, omdat ook hier de toestemming van de buren ontbreekt, aan eiser meegedeeld dat het verzoek buiten behandeling is gesteld.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van 17 september 2020. Omdat een beslissing op dit bezwaar uitbleef, heeft eiser beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij de Afdeling ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit. In de uitspraak van 15 juni 2022 heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen zes weken na de verzending van de uitspraak een besluit op het bezwaar van eiser te nemen.
In het besluit van 10 augustus 2022 (het bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft ook tegen dit besluit beroep ingesteld.
Beide beroepen
Eiser heeft de rechtbank in beide zaken geïnformeerd over de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2023. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om te reageren op deze uitspraak en op de uitspraak van de Afdeling van 3 mei 2023. Het college heeft laten weten dat naar zijn mening de bestreden besluiten I en II vernietigd zouden moeten worden en heeft verzocht om beide zaken voor vier maanden aan te houden. Eiser heeft meegedeeld niet in te stemmen met een aanhouding.
In de brieven van 26 juli 2023 heeft eiser verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedures onredelijk lang hebben geduurd.
Omdat de beroepen kennelijk gegrond zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Awb maakt dat mogelijk.
Beoordeling
1. De rechtbank overweegt dat het college beide verzoeken om een omgevingsvergunning
buiten behandeling heeft gesteld, omdat eiser niet kan worden aangemerkt als belanghebbende en er daarom geen sprake is van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Het college heeft zich daarvoor gebaseerd op de ontbrekende toestemming van derde-partij, waardoor aannemelijk is gemaakt dat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt. In de bestreden besluiten heeft het college dit standpunt gehandhaafd en daarom de bezwaren (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard.
2. Uit de eerdere genoemde uitspraak van 29 maart 2023 van de Afdeling blijkt dat het
standpunt van het college niet juist is waar het gaat om de reconstructie van de keldermuur. Het college heeft dit inmiddels ook erkend. Voor het gedeeltelijk vernieuwen van de achtergevel geldt hetzelfde. Ook in dat geval heeft het college immers de ontbrekende toestemming van derde-partij doorslaggevend geacht. Daar komt bij dat eiser gemotiveerd heeft betwist dat sprake is van een mandelige muur op de begane grond. Zolang geen duidelijkheid bestaat over de beschikkingsmacht, is niet aannemelijk gemaakt dat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt. Eiser is dus belanghebbende bij beide verzoeken om een omgevingsvergunning en deze verzoeken zijn aanvragen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb.
Conclusie
3. De rechtbank zal de beroepen gegrond verklaren en de bestreden besluiten I en II
vernietigen. Dit betekent dat het college met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de bezwaren van eiser moet beslissen. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarvoor een kortere termijn te stellen dan gebruikelijk. Eiser heeft verzocht om een dwangsom te verbinden aan overschrijding van de termijn. De rechtbank gaat ervan uit dat het college gezien de voorgeschiedenis tussen eiser en het college, geen financiële prikkel meer nodig heeft om zich aan de beslistermijn van zes weken te houden. Daarom zal zij geen dwangsom verbinden aan overschrijding van deze beslistermijn.
Overschrijding van de redelijke termijn
4. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedures
onredelijk lang hebben geduurd.
5. In deze zaken is sprake van een opvolgende bezwaar- en beroepsprocedure. De
behandeling daarvan mag maximaal twee jaar in beslag nemen. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk.
Zaaknummer UTR 22/4543
6. In deze zaak ving de redelijke termijn aan op 13 augustus 2019, toen het bezwaarschrift
is ingediend. De rechtbank had binnen twee jaar, dus uiterlijk op 13 augustus 2021, uitspraak moeten doen. Deze termijn is met twee jaar overschreden. Dat is te wijten aan het college dat iets meer dan drie jaar over de behandeling van het bezwaar heeft gedaan. De rechtbank heeft het beroep tijdig, namelijk binnen 11 maanden na ontvangst van het beroep, afgedaan. Dat leidt ertoe dat het college € 2.000,- aan schadevergoeding aan eiser moet betalen.
Zaaknummer UTR 22/4099
7. In deze zaak ving de redelijke termijn aan op 29 oktober 2020, toen het bezwaarschrift
is ingediend. De rechtbank had binnen twee jaar, dus uiterlijk op 29 oktober 2022, uitspraak moeten doen. Deze termijn is met ruim 9 maanden overschreden. Dat is te wijten aan het college dat één jaar en 10 maanden over de behandeling van het bezwaar heeft gedaan. De rechtbank heeft het beroep tijdig, namelijk binnen 11 maanden na ontvangst van het beroep, afgedaan. Dat leidt ertoe dat het college € 1.000,- aan schadevergoeding aan eiser moet betalen.
Proceskosten en griffierecht
8. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet het college het door eiser betaalde griffierecht
vergoeden en krijgt hij een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de beroepsfase als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert twee punten op (twee punten voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1). Omdat de primaire besluiten niet worden herroepen, bestaat er geen aanleiding de in de bezwaarfase gemaakte proceskosten te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten van 10 augustus 2022 en 23 augustus 2022;
- draagt het college op om binnen 6 weken na verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten op eisers bezwaren te nemen;
- veroordeelt het college tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 3.000,-;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,-.
- bepaalt dat het college het betaalde griffierecht van € 368,- (2 x € 184,-) aan eiser vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2023.
verhinderd de uitspraak
te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Uitspraak van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1593.
ECLI:NL:RVS:2023:1253.
ECLI:NL:RVS:2023:1592.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 22/4099 en UTR 22/4543
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 augustus 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.M. Breukers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. L.A. Sluiter).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [Derde partij] uit [plaats]
(gemachtigde: mr. P.J. Gijsbertsen).
Inleiding
Eiser is eigenaar van het pand aan de [adres] in [plaats] en heeft het college verzocht om omgevingsvergunningen voor het reconstrueren van een keldermuur en het deels vernieuwen van de achterzijde van het pand. Het college heeft beide verzoeken buiten behandeling gelaten.
Procesverloop
Eiser heeft op 24 mei 2019 het college verzocht om een omgevingsvergunning te verlenen voor het reconstrueren van een keldermuur tussen zijn pand en het buurpand van derde-partij. In een brief van 19 juli 2019 heeft het college aan eiser meegedeeld dat aannemelijk is dat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt, omdat de buren geen toestemming geven voor het bouwen op hun perceel. Daardoor is eiser geen belanghebbende en is het verzoek van eiser om een vergunning geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eisers verzoek is buiten behandeling gesteld.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van 19 juli 2019. Omdat een beslissing op dit bezwaar uitbleef, heeft eiser beroepen bij de rechtbank en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit.
In het besluit van 23 augustus 2022 (het bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.
Procesverloop
Eiser heeft op 13 mei 2020 het college verzocht om een omgevingsvergunning te verlenen voor het gedeeltelijk vervangen en/of vernieuwen van de achterkant van het pand aan de [adres] in [plaats] . In een brief van 17 september 2020 heeft het college, omdat ook hier de toestemming van de buren ontbreekt, aan eiser meegedeeld dat het verzoek buiten behandeling is gesteld.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van 17 september 2020. Omdat een beslissing op dit bezwaar uitbleef, heeft eiser beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij de Afdeling ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit. In de uitspraak van 15 juni 2022 heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen zes weken na de verzending van de uitspraak een besluit op het bezwaar van eiser te nemen.
In het besluit van 10 augustus 2022 (het bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft ook tegen dit besluit beroep ingesteld.
Beide beroepen
Eiser heeft de rechtbank in beide zaken geïnformeerd over de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2023. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om te reageren op deze uitspraak en op de uitspraak van de Afdeling van 3 mei 2023. Het college heeft laten weten dat naar zijn mening de bestreden besluiten I en II vernietigd zouden moeten worden en heeft verzocht om beide zaken voor vier maanden aan te houden. Eiser heeft meegedeeld niet in te stemmen met een aanhouding.
In de brieven van 26 juli 2023 heeft eiser verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedures onredelijk lang hebben geduurd.
Omdat de beroepen kennelijk gegrond zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Awb maakt dat mogelijk.
Beoordeling
1. De rechtbank overweegt dat het college beide verzoeken om een omgevingsvergunning
buiten behandeling heeft gesteld, omdat eiser niet kan worden aangemerkt als belanghebbende en er daarom geen sprake is van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Het college heeft zich daarvoor gebaseerd op de ontbrekende toestemming van derde-partij, waardoor aannemelijk is gemaakt dat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt. In de bestreden besluiten heeft het college dit standpunt gehandhaafd en daarom de bezwaren (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard.
2. Uit de eerdere genoemde uitspraak van 29 maart 2023 van de Afdeling blijkt dat het
standpunt van het college niet juist is waar het gaat om de reconstructie van de keldermuur. Het college heeft dit inmiddels ook erkend. Voor het gedeeltelijk vernieuwen van de achtergevel geldt hetzelfde. Ook in dat geval heeft het college immers de ontbrekende toestemming van derde-partij doorslaggevend geacht. Daar komt bij dat eiser gemotiveerd heeft betwist dat sprake is van een mandelige muur op de begane grond. Zolang geen duidelijkheid bestaat over de beschikkingsmacht, is niet aannemelijk gemaakt dat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt. Eiser is dus belanghebbende bij beide verzoeken om een omgevingsvergunning en deze verzoeken zijn aanvragen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb.
Conclusie
3. De rechtbank zal de beroepen gegrond verklaren en de bestreden besluiten I en II
vernietigen. Dit betekent dat het college met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de bezwaren van eiser moet beslissen. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarvoor een kortere termijn te stellen dan gebruikelijk. Eiser heeft verzocht om een dwangsom te verbinden aan overschrijding van de termijn. De rechtbank gaat ervan uit dat het college gezien de voorgeschiedenis tussen eiser en het college, geen financiële prikkel meer nodig heeft om zich aan de beslistermijn van zes weken te houden. Daarom zal zij geen dwangsom verbinden aan overschrijding van deze beslistermijn.
Overschrijding van de redelijke termijn
4. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedures
onredelijk lang hebben geduurd.
5. In deze zaken is sprake van een opvolgende bezwaar- en beroepsprocedure. De
behandeling daarvan mag maximaal twee jaar in beslag nemen. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk.
Zaaknummer UTR 22/4543
6. In deze zaak ving de redelijke termijn aan op 13 augustus 2019, toen het bezwaarschrift
is ingediend. De rechtbank had binnen twee jaar, dus uiterlijk op 13 augustus 2021, uitspraak moeten doen. Deze termijn is met twee jaar overschreden. Dat is te wijten aan het college dat iets meer dan drie jaar over de behandeling van het bezwaar heeft gedaan. De rechtbank heeft het beroep tijdig, namelijk binnen 11 maanden na ontvangst van het beroep, afgedaan. Dat leidt ertoe dat het college € 2.000,- aan schadevergoeding aan eiser moet betalen.
Zaaknummer UTR 22/4099
7. In deze zaak ving de redelijke termijn aan op 29 oktober 2020, toen het bezwaarschrift
is ingediend. De rechtbank had binnen twee jaar, dus uiterlijk op 29 oktober 2022, uitspraak moeten doen. Deze termijn is met ruim 9 maanden overschreden. Dat is te wijten aan het college dat één jaar en 10 maanden over de behandeling van het bezwaar heeft gedaan. De rechtbank heeft het beroep tijdig, namelijk binnen 11 maanden na ontvangst van het beroep, afgedaan. Dat leidt ertoe dat het college € 1.000,- aan schadevergoeding aan eiser moet betalen.
Proceskosten en griffierecht
8. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet het college het door eiser betaalde griffierecht
vergoeden en krijgt hij een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de beroepsfase als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert twee punten op (twee punten voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1). Omdat de primaire besluiten niet worden herroepen, bestaat er geen aanleiding de in de bezwaarfase gemaakte proceskosten te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten van 10 augustus 2022 en 23 augustus 2022;
- draagt het college op om binnen 6 weken na verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten op eisers bezwaren te nemen;
- veroordeelt het college tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 3.000,-;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,-.
- bepaalt dat het college het betaalde griffierecht van € 368,- (2 x € 184,-) aan eiser vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2023.
verhinderd de uitspraak
te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Uitspraak van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1593.
ECLI:NL:RVS:2023:1253.
ECLI:NL:RVS:2023:1592.