Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-07-26
ECLI:NL:RBMNE:2023:7585
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,842 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Almere
Vonnis van 26 juli 2023
in de zaak met zaaknummer: 10318471 \ MC EXPL 23-710 D/51246 van
[eiseres]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiseres, hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. S.W. Haagsma (ARAG SE Rechtsbijstand),
tegen
[gedaagde] ,
handelend onder de naam [handelsnaam] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 februari 2023 met 18 producties; - de conclusie van antwoord;
- de mondelinge behandeling van 31 mei 2023, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling op 31 mei 2023 was [eiseres] aanwezig. Zij werd bijgestaan door mr. Haagsma. Verder was mevrouw [A] , moeder van [eiseres] , aanwezig. [gedaagde] is niet op de mondelinge behandeling verschenen.
1.3.
Ten slotte is bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.
Geschil
Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[gedaagde] heeft in opdracht en voor rekening van [eiseres] werkzaamheden uitgevoerd in de woning van [eiseres] . [eiseres] heeft hiervoor in totaal € 13.766,10 aan [gedaagde] betaald. Volgens [eiseres] heeft zij met [gedaagde] afgesproken dat hij € 12.253,78 aan haar zou terugbetalen, omdat de werkzaamheden niet goed zijn uitgevoerd. [gedaagde] heeft dit bedrag niet aan [eiseres] terugbetaald.
Wat eist [eiseres] ?
2.2.
[eiseres] vordert – samengevat – dat [gedaagde] wordt veroordeeld € 12.253,78 met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten aan haar te betalen. Verder vordert [eiseres] dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten.
Wat vindt [gedaagde] ?
2.3.
[gedaagde] voert verweer. Hij heeft niet weersproken dat hij € 12.253,78 aan [eiseres] zou terugbetalen. Hij heeft ook geen bezwaar gemaakt tegen de bijkomende kosten.
Wat oordeelt de kantonrechter?
2.4.
[eiseres] krijgt van de kantonrechter gelijk. Haar vorderingen zullen worden toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom dat zo is.
[gedaagde] moet € 12.253,78 aan [eiseres] terugbetalen
2.5.
Volgens [eiseres] heeft zij op 29 maart 2022 in haar woning mondeling met [gedaagde] afgesproken dat hij het door haar betaalde totaalbedrag minus materiaalkosten voor Trespaplaten aan haar zou terugbetalen. Om dit te onderbouwen heeft [eiseres] drie getuigenverklaringen ingediend van personen die op dat moment in de woning werkzaamheden uitvoerden. Verder heeft [eiseres] een e-mail van 29 maart 2022 ingediend, waarin zij – voor zover van belang – het volgende aan [gedaagde] schrijft:
“Zoals zojuist bij ons besproken stuur ik je hierbij een overzicht van het totaal dat wij aan jullie hebben betaald. We hebben afgesproken dat jij ons het bedrag volledig zal terugbetalen en hierop de kosten van het op maat gezaagde trespa in mindering mag brengen. Ik wil je vragen om een voorstel te doen voor een terugbetaalregeling. (…)
Wij hebben de volgende bedragen aan jullie overgemaakt:
(…)
Alles bij elkaar is dit een totaal van € 13.766,10.
(…) In totaal mag je dus € 1.512,32 van het terug te betalen bedrag aftrekken. Totaal dien je ons dan een bedrag terug te betalen van € 12.253,78.”.
2.6.
[gedaagde] heeft niet weersproken dat hij de afspraak uit de e-mail van 29 maart 2022 met [eiseres] heeft gemaakt. Hij voert alleen aan dat de door [eiseres] ingediende getuigenverklaringen onbetrouwbaar zijn, omdat de getuigen zijn gesprek met [eiseres] niet hebben kunnen horen en de verklaringen achteraf in overleg lijken te zijn opgesteld. Verder is één van de verklaringen volgens [eiseres] handgeschreven en niet goed leesbaar. Dit verweer kan [gedaagde] niet helpen. Omdat [gedaagde] de afspraak uit de email van 29 maart 2022 niet ontkent, maakt het niet uit of de getuigenverklaringen betrouwbaar zijn of niet. Ook zonder deze getuigenverklaringen staat vast dat partijen de afspraak uit de e-mail van 29 maart 2022 hebben gemaakt.
2.7.
Verder voert [gedaagde] nog aan dat de offertes, sommige facturen en sommige emails niet door hem maar door de heer [B] (hierna: [B] ) zijn opgemaakt en verstuurd. [B] is volgens [gedaagde] werkzaam in het bedrijf [handelsnaam] (de eenmanszaak van [gedaagde] ). Ook dit verweer kan [gedaagde] niet helpen. Het gaat in deze zaak om de afspraak die [gedaagde] op 29 maart 2022 met [eiseres] heeft gemaakt. Op basis van die afspraak moet [gedaagde] € 12.253,78 aan [eiseres] terugbetalen. Het maakt daarbij niet uit dat de offertes, sommige facturen en sommige e-mails vóór deze afspraak door een ander aan [eiseres] zijn verstuurd.
2.8.
Op grond van het voorgaande zal de kantonrechter [gedaagde] veroordelen om € 12.253,78 aan [eiseres] te betalen.
Wettelijke rente
2.9.
[eiseres] vordert de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) vanaf 2 februari 2023 (de dag van dagvaarding). [gedaagde] is de wettelijke rente verschuldigd over de periode dat hij met terugbetaling in verzuim is geweest. Door de dagvaarding is het verzuim ingetreden. De gevorderde wettelijke rente zal dan ook worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
2.10.
[eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag van € 897,54 aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
Proceskosten en nakosten
2.11.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiseres] betalen, omdat [gedaagde] ongelijk heeft gekregen. De kosten van [eiseres] worden begroot op:
dagvaarding
€
132,87
griffierecht
€
693,00
salaris gemachtigde
€
792,00
(2 punten × € 396,00)
Totaal
€
1.617,87
2.12.
Als [eiseres] nog kosten moet maken om de beslissing uit te voeren, moet [gedaagde] die ook betalen. Die eventuele kosten worden hieronder vermeld in de beslissing.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van:
I. € 12.253,78, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf 2 februari 2023 tot de dag van volledige betaling;
II. € 897,54 aan buitengerechtelijke incassokosten;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.617,87;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] , als hij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis voldoet, om de na dit vonnis ontstane kosten te betalen, begroot op € 132,- aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen, als het vonnis door de deurwaarder is betekend, met de explootkosten die hiervoor in rekening zijn gebracht, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
3.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2023.
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Almere
Vonnis van 26 juli 2023
in de zaak met zaaknummer: 10318471 \ MC EXPL 23-710 D/51246 van
[eiseres]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiseres, hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. S.W. Haagsma (ARAG SE Rechtsbijstand),
tegen
[gedaagde] ,
handelend onder de naam [handelsnaam] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 februari 2023 met 18 producties; - de conclusie van antwoord;
- de mondelinge behandeling van 31 mei 2023, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling op 31 mei 2023 was [eiseres] aanwezig. Zij werd bijgestaan door mr. Haagsma. Verder was mevrouw [A] , moeder van [eiseres] , aanwezig. [gedaagde] is niet op de mondelinge behandeling verschenen.
1.3.
Ten slotte is bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.
Geschil
Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[gedaagde] heeft in opdracht en voor rekening van [eiseres] werkzaamheden uitgevoerd in de woning van [eiseres] . [eiseres] heeft hiervoor in totaal € 13.766,10 aan [gedaagde] betaald. Volgens [eiseres] heeft zij met [gedaagde] afgesproken dat hij € 12.253,78 aan haar zou terugbetalen, omdat de werkzaamheden niet goed zijn uitgevoerd. [gedaagde] heeft dit bedrag niet aan [eiseres] terugbetaald.
Wat eist [eiseres] ?
2.2.
[eiseres] vordert – samengevat – dat [gedaagde] wordt veroordeeld € 12.253,78 met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten aan haar te betalen. Verder vordert [eiseres] dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten.
Wat vindt [gedaagde] ?
2.3.
[gedaagde] voert verweer. Hij heeft niet weersproken dat hij € 12.253,78 aan [eiseres] zou terugbetalen. Hij heeft ook geen bezwaar gemaakt tegen de bijkomende kosten.
Wat oordeelt de kantonrechter?
2.4.
[eiseres] krijgt van de kantonrechter gelijk. Haar vorderingen zullen worden toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom dat zo is.
[gedaagde] moet € 12.253,78 aan [eiseres] terugbetalen
2.5.
Volgens [eiseres] heeft zij op 29 maart 2022 in haar woning mondeling met [gedaagde] afgesproken dat hij het door haar betaalde totaalbedrag minus materiaalkosten voor Trespaplaten aan haar zou terugbetalen. Om dit te onderbouwen heeft [eiseres] drie getuigenverklaringen ingediend van personen die op dat moment in de woning werkzaamheden uitvoerden. Verder heeft [eiseres] een e-mail van 29 maart 2022 ingediend, waarin zij – voor zover van belang – het volgende aan [gedaagde] schrijft:
“Zoals zojuist bij ons besproken stuur ik je hierbij een overzicht van het totaal dat wij aan jullie hebben betaald. We hebben afgesproken dat jij ons het bedrag volledig zal terugbetalen en hierop de kosten van het op maat gezaagde trespa in mindering mag brengen. Ik wil je vragen om een voorstel te doen voor een terugbetaalregeling. (…)
Wij hebben de volgende bedragen aan jullie overgemaakt:
(…)
Alles bij elkaar is dit een totaal van € 13.766,10.
(…) In totaal mag je dus € 1.512,32 van het terug te betalen bedrag aftrekken. Totaal dien je ons dan een bedrag terug te betalen van € 12.253,78.”.
2.6.
[gedaagde] heeft niet weersproken dat hij de afspraak uit de e-mail van 29 maart 2022 met [eiseres] heeft gemaakt. Hij voert alleen aan dat de door [eiseres] ingediende getuigenverklaringen onbetrouwbaar zijn, omdat de getuigen zijn gesprek met [eiseres] niet hebben kunnen horen en de verklaringen achteraf in overleg lijken te zijn opgesteld. Verder is één van de verklaringen volgens [eiseres] handgeschreven en niet goed leesbaar. Dit verweer kan [gedaagde] niet helpen. Omdat [gedaagde] de afspraak uit de email van 29 maart 2022 niet ontkent, maakt het niet uit of de getuigenverklaringen betrouwbaar zijn of niet. Ook zonder deze getuigenverklaringen staat vast dat partijen de afspraak uit de e-mail van 29 maart 2022 hebben gemaakt.
2.7.
Verder voert [gedaagde] nog aan dat de offertes, sommige facturen en sommige emails niet door hem maar door de heer [B] (hierna: [B] ) zijn opgemaakt en verstuurd. [B] is volgens [gedaagde] werkzaam in het bedrijf [handelsnaam] (de eenmanszaak van [gedaagde] ). Ook dit verweer kan [gedaagde] niet helpen. Het gaat in deze zaak om de afspraak die [gedaagde] op 29 maart 2022 met [eiseres] heeft gemaakt. Op basis van die afspraak moet [gedaagde] € 12.253,78 aan [eiseres] terugbetalen. Het maakt daarbij niet uit dat de offertes, sommige facturen en sommige e-mails vóór deze afspraak door een ander aan [eiseres] zijn verstuurd.
2.8.
Op grond van het voorgaande zal de kantonrechter [gedaagde] veroordelen om € 12.253,78 aan [eiseres] te betalen.
Wettelijke rente
2.9.
[eiseres] vordert de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) vanaf 2 februari 2023 (de dag van dagvaarding). [gedaagde] is de wettelijke rente verschuldigd over de periode dat hij met terugbetaling in verzuim is geweest. Door de dagvaarding is het verzuim ingetreden. De gevorderde wettelijke rente zal dan ook worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
2.10.
[eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag van € 897,54 aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
Proceskosten en nakosten
2.11.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiseres] betalen, omdat [gedaagde] ongelijk heeft gekregen. De kosten van [eiseres] worden begroot op:
dagvaarding
€
132,87
griffierecht
€
693,00
salaris gemachtigde
€
792,00
(2 punten × € 396,00)
Totaal
€
1.617,87
2.12.
Als [eiseres] nog kosten moet maken om de beslissing uit te voeren, moet [gedaagde] die ook betalen. Die eventuele kosten worden hieronder vermeld in de beslissing.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van:
I. € 12.253,78, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf 2 februari 2023 tot de dag van volledige betaling;
II. € 897,54 aan buitengerechtelijke incassokosten;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.617,87;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] , als hij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis voldoet, om de na dit vonnis ontstane kosten te betalen, begroot op € 132,- aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen, als het vonnis door de deurwaarder is betekend, met de explootkosten die hiervoor in rekening zijn gebracht, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
3.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2023.