Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-12-20
ECLI:NL:RBMNE:2023:7571
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,432 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 10514003 \ UC EXPL 23-3383 CMR/51145
Vonnis van 20 december 2023
in de zaak van
STICHTING CAZAS WONEN,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: Cazas Wonen,
gemachtigde: mr. G.J. Scholten,
tegen
[gedaagde]
,
als wonend ingeschreven op een adres in [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. H.A.J. van Rens.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 mei 2023 met producties 1 tot en met 16; - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4; - de brieven van 10 augustus 2023 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de aanvullende productie 17 van Cazas Wonen.
1.2.
Op 27 september 2023 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Van het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] drie aanvullende stukken in het geding gebracht.
1.3.
Na sluiting van de mondelinge behandeling zijn partijen in overleg getreden over een eventuele schikking.
1.4.
Nadat partijen hebben bericht dat zij geen schikking hebben kunnen treffen, heeft de kantonrechter bepaald dat het vonnis in deze zaak vandaag wordt gewezen en uitgesproken.
2Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt sinds 1 juli 1990 van (de rechtsvoorganger van) Cazas Wonen de woning aan het adres [adres] in [plaats] (hierna: het gehuurde).
2.2.
Cazas Wonen wil de huurovereenkomst ontbinden. Volgens Cazas Wonen heeft [gedaagde] sinds 2019 niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde, waardoor hij structureel en ernstig tekort schiet in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. In het verlengde daarvan vordert Cazas Wonen ook ontruiming van het gehuurde.
2.3.
[gedaagde] is het daar niet mee eens. [gedaagde] stelt dat hij wel zijn hoofdverblijf heeft in het gehuurde en dat altijd heeft gehad. De vrouw van [gedaagde] en zijn twee kinderen, [A] ( [leeftijd 1] ) en [B] ( [leeftijd 2] ), wonen in Marokko. [gedaagde] bezoekt hen regelmatig, maar keert altijd terug naar het gehuurde. In 2020 en 2022 is hij langdurig in Marokko geweest, maar door de reisbeperkingen vanwege de coronapandemie kon hij niet eerder terug naar Nederland dan gepland. De intentie is dat zijn vrouw en kinderen bij hem in het gehuurde zullen intrekken. Inmiddels is daar ook uitvoering aan gegeven en gaan zijn kinderen in Mijdrecht naar school. Voorts stelt [gedaagde] , indien wordt geoordeeld dat hij niet het hoofdverblijf in het gehuurde heeft, dat de tekortkoming van geringe betekenis is en zijn woonbelang zwaarder weegt dan het belang van Cazas Wonen. Ook daarom is er geen grond voor de gevorderde ontbinding.
Beoordeling
3.1.
De kantonrechter is van oordeel dat vaststaat [gedaagde] niet zijn hoofdverblijf heeft gehad in het gehuurde waardoor hij structureel en ernstig tekort is geschoten in zijn verplichtingen alsook dat zijn beroep op de tenzij-bepaling als neergelegd in artikel 6:265 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet slaagt. Daarom wordt de huurovereenkomst ontbonden en moet [gedaagde] het gehuurde ontruimen. Hierna wordt uitgelegd waarom de kantonrechter tot deze beslissing is gekomen.
Tekortkoming: geen hoofdverblijf in het gehuurde
3.2.
Met verwijzing naar inmiddels vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient de beoordeling of een huurder zijn hoofdverblijf in de door hem gehuurde woning heeft, plaats te vinden op basis van de feitelijke omstandigheden waarbij het erop aankomt of het zwaartepunt van het persoonlijk leven van de huurder zich in het gehuurde bevindt.
3.3.
Uit de feiten en omstandigheden die Cazas Wonen naar voren heeft gebracht, volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat [gedaagde] sinds 2019 zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde heeft. Cazas Wonen heeft naar aanleiding van een melding van een buurtbewoner Adviesburo [naam buro] (hierna te noemen: [naam buro] ) ingeschakeld om een buurtonderzoek te doen naar de woonsituatie in het gehuurde. [naam buro] heeft van 27 juni 2022 tot en met 27 juli 2022 buurtonderzoek gedaan en aanvullend heeft zij in maart 2023 nogmaals buurtonderzoek gedaan. Uit het rapport van [naam buro] volgt dat de omwonenden [gedaagde] sinds 2019 nauwelijks bij of in het gehuurde zien, soms maanden achter elkaar niet. Wel zien zij één van de (meerderjarige) zonen van [gedaagde] af en toe langskomen om de tuin te onderhouden of de post op te halen. Ook heeft de onderzoeker van [naam buro] meerdere keren aangebeld, maar deed niemand open, en waren alle ramen van het gehuurde geblindeerd. Het gehuurde geeft dus een verlaten indruk. [gedaagde] betwist ook niet dat hij regelmatig een langere periode weg is: hij is dan namelijk bij zijn gezin in Marokko. In 2020 is hij in ieder geval van 26 februari 2020 tot en met begin september 2020 in Marokko verbleven en in 2022 in ieder geval van januari 2022 tot 30 augustus 2022 in Marokko verbleven. Cazas Wonen heeft weliswaar na de eerste periode in 2020 het onderzoek naar zijn hoofdverblijf afgerond zonder daaraan enige contractuele/wettelijke consequenties aan te verbinden, omdat [gedaagde] vertelde dat hij door de reisbeperkingen vanwege de coronapandemie noodgedwongen langer in Marokko moest blijven. Maar daarbij was wel met [gedaagde] onder meer afgesproken dat hij dit bij een volgende keer zou melden. Niet is gebleken dat [gedaagde] dat in 2022 heeft gedaan, toen hij vanwege problemen met zijn coronavaccinaties niet terug kon keren naar Nederland. Het had op zijn weg gelegen om dat wel te doen. Ook erkent [gedaagde] dat hij los van deze twee langere bezoeken regelmatig zijn gezin in Marokko bezoekt en daar verblijft. Verder staat vast dat tijdens zijn verblijf in Marokko een van zijn meerderjarige zonen zorgt draagt voor het draaiend houden van de logistiek in Nederland van het bedrijf van [gedaagde] (groothandel van halal vleesproducten). Hoewel [gedaagde] logischerwijs zijn gezin in Marokko mag bezoeken, schetsen de verklaringen van omwonenden alsook de onderzoeksresultaten van [naam buro] het beeld dat [gedaagde] in ieder geval sinds 2019 vaker niet, dan wel aanwezig is in het gehuurde en daarmee dat het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven zich niet in het gehuurde bevindt en dus niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft.
3.4.
Het had in het kader van de verzwaarde motiveringsplicht van zijn betwisting op de weg van [gedaagde] gelegen om, tegenover bovenstaande feiten en omstandigheden die Cazas Wonen heeft gesteld en die [gedaagde] niet heeft betwist, met objectieve verifieerbare gegevens te onderbouwen dat hij – sinds 2019 – wél zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft gehad en heeft. [gedaagde] had bijvoorbeeld een overzicht van zijn pintransacties of een overzicht van het nutsverbruik in het gehuurde over de periode met ingang van 2019 kunnen overleggen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan, terwijl Cazas Wonen ook al eens eerder naar nadere gegevens heeft gevraagd. Anders dan [gedaagde] stelt, staat zijn enkele stelling dat zijn nutsverbruikgegevens een vertekend beeld geven en dat hij voornamelijk cash betaald het overleggen van nutsverbruik- en pingegevens niet in de weg. Deze stelling brengt enkel met zich dat [gedaagde] naast deze gegevens ook andere feiten en/of omstandigheden, onderbouwd met objectieve gegevens, in het kader van zijn betwisting zal moeten stellen die tot de conclusie leiden dat het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven – ook sinds 2019 – zich wél in het gehuurde bevindt. Dat [gedaagde] dat niet heeft gedaan, komt en blijft voor zijn rekening en risico.[gedaagde] stelt dat inmiddels zijn gezin bij hem in het gehuurde is komen wonen, maar dat heeft hij ook onvoldoende onderbouwd. [gedaagde] heeft ten eerste afschriften uit de BRP tijdens de mondelinge behandeling overgelegd, waaruit volgt dat de twee hiervoor vermelde kinderen ( [A] en [B] ) van [gedaagde] op 21 september 2023 op het adres van het gehuurde staan ingeschreven. Dit is echter onvoldoende om te concluderen dat zij zich hier ook daadwerkelijk gevestigd hebben en dat [gedaagde] daarmee zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft. De kinderen van [gedaagde] hebben namelijk eerder al van 10 maart 2023 tot 1 mei 2023 in de BRP ingeschreven gestaan op het adres van het gehuurde, maar zijn daarna weer met hun moeder naar Marokko teruggekeerd. De vrouw van [gedaagde] verbleef hier namelijk tijdelijk met een visum op grond waarvan zij niet langer dan drie aaneengesloten maanden in Nederland mag verblijven. Daarom kan niet worden uitgesloten dat de kinderen ook thans weer met hun moeder mee naar Marokko terugkeren wanneer zij Nederland moet verlaten. Verder heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling een kennisgeving van inschrijving van zijn voormelde kinderen op de openbare basisschool [naam] in Mijdrecht overgelegd. Hierop staat dat de datum van inschrijving 1 augustus 2023 is, maar uit een brief van de gemeente De Ronde Venen van 14 september 2023 die door Cazas Wonen is overgelegd blijkt dat op dat moment (anderhalve maand na de vermeende inschrijving) geen inschrijving op een school bekend was. Ook heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zijn kinderen op dat moment (27 september 2023) pas één week naar school gingen. Ook dit stuk is dus onvoldoende om vast te stellen dat de kinderen zich nu (permanent) gevestigd hebben in Nederland en dat [gedaagde] daarmee zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft.
Ontbinding van de huurovereenkomst en de gevolgen daarvan
3.5.
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] sinds 2019 niet zijn hoofdverblijf heeft gehad en heeft in het gehuurde. Het niet hebben van hoofdverblijf in het gehuurde is een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.
3.6.
De door [gedaagde] genoemde persoonlijke omstandigheden kunnen niet tot gevolg hebben dat van de ontbinding moet worden afgezien. Daartoe overweegt de kantonrechter het volgende.
Volgens [gedaagde] is het altijd de intentie geweest om met zijn gezin in het gehuurde te gaan wonen en is dat inmiddels ook gebeurd. Zoals eerder overwogen in 3.4. kan niet worden vastgesteld dat het gezin van [gedaagde] en daarmee ook [gedaagde] zich inmiddels (permanent) heeft gevestigd in het gehuurde. Bovendien maakt dit nog niet dat een tekortkoming in het verleden ongedaan wordt gemaakt. De kantonrechter heeft immers vastgesteld dat [gedaagde] sinds 2019 niet het hoofdverblijf heeft in het gehuurde. De kantonrechter moet bij een vordering tot ontbinding en ontruiming echter wel het belang van minderjarige kinderen meewegen.
Dictum
De kantonrechter:
4.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst voor de woning aan het adres [adres] in [plaats] per vandaag;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om de woning binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige personen en zaken, voor zover die aan hem toebehoren en niet aan Cazas Wonen, en om deze woning met afgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van Cazas Wonen te stellen;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten; hij moet de proceskosten van Cazas Wonen van € 755,36, aan haar betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
4.4.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de nakosten, tot dit vonnis begroot op € 99,50, eventueel vermeerderd met de kosten van betekening, als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2023.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 10514003 \ UC EXPL 23-3383 CMR/51145
Vonnis van 20 december 2023
in de zaak van
STICHTING CAZAS WONEN,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: Cazas Wonen,
gemachtigde: mr. G.J. Scholten,
tegen
[gedaagde]
,
als wonend ingeschreven op een adres in [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. H.A.J. van Rens.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 mei 2023 met producties 1 tot en met 16; - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4; - de brieven van 10 augustus 2023 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de aanvullende productie 17 van Cazas Wonen.
1.2.
Op 27 september 2023 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Van het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] drie aanvullende stukken in het geding gebracht.
1.3.
Na sluiting van de mondelinge behandeling zijn partijen in overleg getreden over een eventuele schikking.
1.4.
Nadat partijen hebben bericht dat zij geen schikking hebben kunnen treffen, heeft de kantonrechter bepaald dat het vonnis in deze zaak vandaag wordt gewezen en uitgesproken.
2Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt sinds 1 juli 1990 van (de rechtsvoorganger van) Cazas Wonen de woning aan het adres [adres] in [plaats] (hierna: het gehuurde).
2.2.
Cazas Wonen wil de huurovereenkomst ontbinden. Volgens Cazas Wonen heeft [gedaagde] sinds 2019 niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde, waardoor hij structureel en ernstig tekort schiet in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. In het verlengde daarvan vordert Cazas Wonen ook ontruiming van het gehuurde.
2.3.
[gedaagde] is het daar niet mee eens. [gedaagde] stelt dat hij wel zijn hoofdverblijf heeft in het gehuurde en dat altijd heeft gehad. De vrouw van [gedaagde] en zijn twee kinderen, [A] ( [leeftijd 1] ) en [B] ( [leeftijd 2] ), wonen in Marokko. [gedaagde] bezoekt hen regelmatig, maar keert altijd terug naar het gehuurde. In 2020 en 2022 is hij langdurig in Marokko geweest, maar door de reisbeperkingen vanwege de coronapandemie kon hij niet eerder terug naar Nederland dan gepland. De intentie is dat zijn vrouw en kinderen bij hem in het gehuurde zullen intrekken. Inmiddels is daar ook uitvoering aan gegeven en gaan zijn kinderen in Mijdrecht naar school. Voorts stelt [gedaagde] , indien wordt geoordeeld dat hij niet het hoofdverblijf in het gehuurde heeft, dat de tekortkoming van geringe betekenis is en zijn woonbelang zwaarder weegt dan het belang van Cazas Wonen. Ook daarom is er geen grond voor de gevorderde ontbinding.
Beoordeling
3.1.
De kantonrechter is van oordeel dat vaststaat [gedaagde] niet zijn hoofdverblijf heeft gehad in het gehuurde waardoor hij structureel en ernstig tekort is geschoten in zijn verplichtingen alsook dat zijn beroep op de tenzij-bepaling als neergelegd in artikel 6:265 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet slaagt. Daarom wordt de huurovereenkomst ontbonden en moet [gedaagde] het gehuurde ontruimen. Hierna wordt uitgelegd waarom de kantonrechter tot deze beslissing is gekomen.
Tekortkoming: geen hoofdverblijf in het gehuurde
3.2.
Met verwijzing naar inmiddels vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient de beoordeling of een huurder zijn hoofdverblijf in de door hem gehuurde woning heeft, plaats te vinden op basis van de feitelijke omstandigheden waarbij het erop aankomt of het zwaartepunt van het persoonlijk leven van de huurder zich in het gehuurde bevindt.
3.3.
Uit de feiten en omstandigheden die Cazas Wonen naar voren heeft gebracht, volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat [gedaagde] sinds 2019 zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde heeft. Cazas Wonen heeft naar aanleiding van een melding van een buurtbewoner Adviesburo [naam buro] (hierna te noemen: [naam buro] ) ingeschakeld om een buurtonderzoek te doen naar de woonsituatie in het gehuurde. [naam buro] heeft van 27 juni 2022 tot en met 27 juli 2022 buurtonderzoek gedaan en aanvullend heeft zij in maart 2023 nogmaals buurtonderzoek gedaan. Uit het rapport van [naam buro] volgt dat de omwonenden [gedaagde] sinds 2019 nauwelijks bij of in het gehuurde zien, soms maanden achter elkaar niet. Wel zien zij één van de (meerderjarige) zonen van [gedaagde] af en toe langskomen om de tuin te onderhouden of de post op te halen. Ook heeft de onderzoeker van [naam buro] meerdere keren aangebeld, maar deed niemand open, en waren alle ramen van het gehuurde geblindeerd. Het gehuurde geeft dus een verlaten indruk. [gedaagde] betwist ook niet dat hij regelmatig een langere periode weg is: hij is dan namelijk bij zijn gezin in Marokko. In 2020 is hij in ieder geval van 26 februari 2020 tot en met begin september 2020 in Marokko verbleven en in 2022 in ieder geval van januari 2022 tot 30 augustus 2022 in Marokko verbleven. Cazas Wonen heeft weliswaar na de eerste periode in 2020 het onderzoek naar zijn hoofdverblijf afgerond zonder daaraan enige contractuele/wettelijke consequenties aan te verbinden, omdat [gedaagde] vertelde dat hij door de reisbeperkingen vanwege de coronapandemie noodgedwongen langer in Marokko moest blijven. Maar daarbij was wel met [gedaagde] onder meer afgesproken dat hij dit bij een volgende keer zou melden. Niet is gebleken dat [gedaagde] dat in 2022 heeft gedaan, toen hij vanwege problemen met zijn coronavaccinaties niet terug kon keren naar Nederland. Het had op zijn weg gelegen om dat wel te doen. Ook erkent [gedaagde] dat hij los van deze twee langere bezoeken regelmatig zijn gezin in Marokko bezoekt en daar verblijft. Verder staat vast dat tijdens zijn verblijf in Marokko een van zijn meerderjarige zonen zorgt draagt voor het draaiend houden van de logistiek in Nederland van het bedrijf van [gedaagde] (groothandel van halal vleesproducten). Hoewel [gedaagde] logischerwijs zijn gezin in Marokko mag bezoeken, schetsen de verklaringen van omwonenden alsook de onderzoeksresultaten van [naam buro] het beeld dat [gedaagde] in ieder geval sinds 2019 vaker niet, dan wel aanwezig is in het gehuurde en daarmee dat het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven zich niet in het gehuurde bevindt en dus niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft.
3.4.
Het had in het kader van de verzwaarde motiveringsplicht van zijn betwisting op de weg van [gedaagde] gelegen om, tegenover bovenstaande feiten en omstandigheden die Cazas Wonen heeft gesteld en die [gedaagde] niet heeft betwist, met objectieve verifieerbare gegevens te onderbouwen dat hij – sinds 2019 – wél zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft gehad en heeft. [gedaagde] had bijvoorbeeld een overzicht van zijn pintransacties of een overzicht van het nutsverbruik in het gehuurde over de periode met ingang van 2019 kunnen overleggen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan, terwijl Cazas Wonen ook al eens eerder naar nadere gegevens heeft gevraagd. Anders dan [gedaagde] stelt, staat zijn enkele stelling dat zijn nutsverbruikgegevens een vertekend beeld geven en dat hij voornamelijk cash betaald het overleggen van nutsverbruik- en pingegevens niet in de weg. Deze stelling brengt enkel met zich dat [gedaagde] naast deze gegevens ook andere feiten en/of omstandigheden, onderbouwd met objectieve gegevens, in het kader van zijn betwisting zal moeten stellen die tot de conclusie leiden dat het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven – ook sinds 2019 – zich wél in het gehuurde bevindt. Dat [gedaagde] dat niet heeft gedaan, komt en blijft voor zijn rekening en risico.[gedaagde] stelt dat inmiddels zijn gezin bij hem in het gehuurde is komen wonen, maar dat heeft hij ook onvoldoende onderbouwd. [gedaagde] heeft ten eerste afschriften uit de BRP tijdens de mondelinge behandeling overgelegd, waaruit volgt dat de twee hiervoor vermelde kinderen ( [A] en [B] ) van [gedaagde] op 21 september 2023 op het adres van het gehuurde staan ingeschreven. Dit is echter onvoldoende om te concluderen dat zij zich hier ook daadwerkelijk gevestigd hebben en dat [gedaagde] daarmee zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft. De kinderen van [gedaagde] hebben namelijk eerder al van 10 maart 2023 tot 1 mei 2023 in de BRP ingeschreven gestaan op het adres van het gehuurde, maar zijn daarna weer met hun moeder naar Marokko teruggekeerd. De vrouw van [gedaagde] verbleef hier namelijk tijdelijk met een visum op grond waarvan zij niet langer dan drie aaneengesloten maanden in Nederland mag verblijven. Daarom kan niet worden uitgesloten dat de kinderen ook thans weer met hun moeder mee naar Marokko terugkeren wanneer zij Nederland moet verlaten. Verder heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling een kennisgeving van inschrijving van zijn voormelde kinderen op de openbare basisschool [naam] in Mijdrecht overgelegd. Hierop staat dat de datum van inschrijving 1 augustus 2023 is, maar uit een brief van de gemeente De Ronde Venen van 14 september 2023 die door Cazas Wonen is overgelegd blijkt dat op dat moment (anderhalve maand na de vermeende inschrijving) geen inschrijving op een school bekend was. Ook heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zijn kinderen op dat moment (27 september 2023) pas één week naar school gingen. Ook dit stuk is dus onvoldoende om vast te stellen dat de kinderen zich nu (permanent) gevestigd hebben in Nederland en dat [gedaagde] daarmee zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft.
Ontbinding van de huurovereenkomst en de gevolgen daarvan
3.5.
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] sinds 2019 niet zijn hoofdverblijf heeft gehad en heeft in het gehuurde. Het niet hebben van hoofdverblijf in het gehuurde is een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.
3.6.
De door [gedaagde] genoemde persoonlijke omstandigheden kunnen niet tot gevolg hebben dat van de ontbinding moet worden afgezien. Daartoe overweegt de kantonrechter het volgende.
Volgens [gedaagde] is het altijd de intentie geweest om met zijn gezin in het gehuurde te gaan wonen en is dat inmiddels ook gebeurd. Zoals eerder overwogen in 3.4. kan niet worden vastgesteld dat het gezin van [gedaagde] en daarmee ook [gedaagde] zich inmiddels (permanent) heeft gevestigd in het gehuurde. Bovendien maakt dit nog niet dat een tekortkoming in het verleden ongedaan wordt gemaakt. De kantonrechter heeft immers vastgesteld dat [gedaagde] sinds 2019 niet het hoofdverblijf heeft in het gehuurde. De kantonrechter moet bij een vordering tot ontbinding en ontruiming echter wel het belang van minderjarige kinderen meewegen.
Dictum
De kantonrechter:
4.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst voor de woning aan het adres [adres] in [plaats] per vandaag;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om de woning binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige personen en zaken, voor zover die aan hem toebehoren en niet aan Cazas Wonen, en om deze woning met afgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van Cazas Wonen te stellen;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten; hij moet de proceskosten van Cazas Wonen van € 755,36, aan haar betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
4.4.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de nakosten, tot dit vonnis begroot op € 99,50, eventueel vermeerderd met de kosten van betekening, als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2023.