Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-09-13
ECLI:NL:RBMNE:2023:7560
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,526 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 10077403 UC EXPL 22-5752 VL/58599
Vonnis van 13 september 2023
inzake
de naamloze vennootschap
OHRA Zorgverzekeringen NV,
gevestigd te Tilburg,
verder ook te noemen OHRA,
eisende partij,
gemachtigde: Flanderijn & Van Eck,
tegen:
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
verder ook te noemen [gedaagde] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. M.G. van Westrenen.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Op 14 juni 2023 heeft de kantonrechter in deze zaak tussenvonnis gewezen. [gedaagde] was aan zet met een bewijsopdracht, maar heeft hier geen gebruik van gemaakt. Daarom heeft de kantonrechter bepaald dat eindvonnis zal worden gewezen.
Beoordeling
De vordering van OHRA zal worden toegewezen
2.1.
In het tussenvonnis van 14 juni 2023 heeft de kantonrechter [gedaagde] opgedragen om te bewijzen dat ANWB de schade die benadeelde heeft geleden als gevolg van het ongeval op 20 mei 2019 reeds aan OHRA heeft vergoed. [gedaagde] mocht dit bewijs leveren aan de hand van schriftelijke stukken of het horen van getuigen.
2.2.
De kantonrechter heeft de zaak verwezen naar de rolzitting van woensdag 12 juli 2023 om [gedaagde] in de gelegenheid te stellen bij akte aan te geven op welke wijze zij bewijs wil leveren. Van deze gelegenheid heeft zij geen gebruik gemaakt.
2.3.
Als gevolg hiervan is niet komen vast te staan dat ANWB de schade die benadeelde heeft geleden als gevolg van het ongeval op 20 mei 2019 al aan OHRA heeft vergoed. De vordering van OHRA van € 1.497,32 is dus niet door betaling teniet gegaan en zal worden toegewezen.
Rente
2.4.
OHRA vordert een bedrag van € 26,17 aan wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 27 augustus 2021 tot aan de dag van de dagvaarding. Aangezien [gedaagde] op 27 augustus 2021 in verzuim was, zal de kantonrechter deze vordering toewijzen.
2.5.
Daarnaast vordert OHRA wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag dat alles is betaald. Deze vordering zal de kantonrechter op dezelfde grond toewijzen.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
2.6.
OHRA vordert een bedrag van € 271,77 aan buitengerechtelijke incassokosten, inclusief btw. Omdat voldoende is gesteld en gebleken dat het gaat om verrichtingen die meer omvatten dan de verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding toekent, is de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar. De hoogte van het gevorderde bedrag is, op € 00,01 na, in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en worden geacht redelijk te zijn. De kantonrechter zal de vordering daarom toewijzen tot een bedrag van € 271,76.
2.7.
OHRA heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. De gevorderde btw is toewijsbaar, omdat OHRA de btw niet kan verrekenen en zij [gedaagde] een aanmaning heeft gestuurd zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 6 Burgerlijk Wetboek.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.8.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten. Dit betekent dat [gedaagde] haar eigen proceskosten moet dragen en de proceskosten van OHRA aan haar moet betalen, tot aan dit moment begroot op:
- kosten dagvaarding
€ 129,74
- salaris gemachtigde
€ 497,50
(2,5 punten x tarief € 199,00)
- griffierecht
€ 365,00
Totaal
€ 992,24
Uitvoerbaar bij voorraad
2.9.
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 1.795,25, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.497,32 vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag dat het gehele bedrag is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten; zij moet aan OHRA haar proceskosten betalen, tot op heden begroot op € 992,24 waarvan € 497,50 aan salaris gemachtigde;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J.A. Boots, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 september 2023.