Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-11-24
ECLI:NL:RBMNE:2023:7132
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,521 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/1569
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 november 2023 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: D.K. Bos),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden
(gemachtigde: mr. J.A. Duijster).
Inleiding
1. Eiseres heeft op 13 december 2022 een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een veldschuur en schuilstal voor schapen op het perceel ter hoogte van [adres] in [plaats] (het perceel). Na aanvulling van de gegevens door eiseres heeft het college met een brief van 22 december 2022 aan eiseres meegedeeld dat de aanvraag omgevingsvergunning (regulier) in behandeling is genomen en op de inhoud wordt beoordeeld.
2. Met de brief van 1 februari 2023 heeft het college eiseres meegedeeld dat de aanvraag niet via een reguliere procedure in behandeling kan worden genomen en dat, na nadere bestudering, de aanvraag in behandeling wordt genomen als een aanvraag waarvoor de uitgebreide procedure geldt.
3. Eiseres is het daarmee niet eens en heeft een beroepschrift ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
4. De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2023 op zitting behandeld. Eiseres is niet verschenen. Het college is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Geschil
5. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de brief van 1 februari 2023.
6. Het college stelt zich op het standpunt dat de brief van 1 februari 2023 geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) of een daarmee gelijk te stellen besluit. De brief brengt geen wijziging in een recht aan, vermeldt alleen welke voorbereidingsprocedure op basis van de wet van toepassing is en bevat verder nog een mededeling over de leges.
7. Eiseres voert aan dat de brief van 1 februari 2023 gelijk is te stellen met een Awb-besluit. Volgens eiseres ligt in de brief een weigering besloten om een wijziging of uitwerking van een bestemmingsplan vast te stellen in de zin van artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Daarnaast is het besluit volgens eiseres aan te merken als een weigering de aanvraag volgens de reguliere procedure te behandelen en als een weigering van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een veldschuur op het perceel.
Beoordeling
8. De rechtbank overweegt dat een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling is. Met het begrip rechtshandeling wordt een handeling gericht op een rechtsgevolg bedoeld. Een beslissing heeft rechtsgevolg indien zij erop is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel de juridische status van een persoon of een zaak vast te stellen.
9. Naar het oordeel van de rechtbank is de brief van 1 februari 2023 uitsluitend informatief van aard. In deze brief informeert het college eiseres over de stand van zaken van haar aanvraag en corrigeert het een eerdere brief van 20 december 2022, waarin is aangegeven dat de reguliere procedure van toepassing is. Het college legt in de brief uit waarom de uitgebreide in plaats van de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is. De rechtbank overweegt dat de vraag welke procedure moet worden gevolgd bij een aanvraag om een omgevingsvergunning rechtstreeks uit de wet volgt. Het college heeft daarin geen keuze en neemt daarover dus geen beslissing. De mededelingen in de brief zijn niet gericht op een rechtsgevolg.
10. De vraag of de juiste procedure is gevolgd kan aan de orde worden gesteld in een procedure naar aanleiding van de beslissing die het college uiteindelijk kan nemen op de aanvraag.
11. Gelet op het voorgaande is de brief van 1 februari 2023 geen besluit in de zin van de Awb en deze kan ook niet worden gelijkgesteld met een besluit. Dit betekent dat er geen beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter op grond van de Awb.
12. Omdat geen beroep kan worden ingesteld op grond van de Awb verklaart de rechtbank zich onbevoegd van het beroep kennis te nemen. De rechtbank komt daarom niet toe aan een bespreking van de overige gronden van het beroep.
13. Op grond van artikel 2.5, zevende lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021 wordt het geheven griffierecht terugbetaald aan eiseres. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart zich onbevoegd van het beroep kennis te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
Zie de artikelen 3.7 en 3.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Dit volgt uit artikel 8:1.