Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-12-08
ECLI:NL:RBMNE:2023:6775
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,365 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/3424
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. F. Boukich),
en
de Minister van Financiën, de minister
(gemachtigde: V.N. Giang en mr. M.P. van der Eerden).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag. Eiseres heeft de minister gevraagd om bepaalde private geldschulden over te nemen, omdat zij gedupeerde is van de kinderopvangtoeslagaffaire.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag in het besluit van 21 september 2022 afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In het bestreden besluit van 7 juni 2023 is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank stelt allereerst vast dat het bestuursorgaan in deze zaak de Minister van Financiën is. De Belastingdienst/Toeslagen heeft het primaire besluit en het bestreden besluit genomen in (onder)mandaat.
3. De rechtbank beoordeelt de vraag of de minister terecht de aanvraag van eiseres heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen. Het beroep van eiseres op de hardheidsclausule slaagt niet. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Op de zitting is vast komen te staan dat eiseres alleen een beroep doet op de hardheidsclausule. Volgens eiseres had de minister de hardheidsclausule moeten toepassen en haar private schuld aan [A] ter grootte van €1.610,66 moeten overnemen. Zij voert aan dat zij gedwongen was om schulden aan te gaan om aan haar financiële verplichtingen te kunnen blijven voldoen. Volgens eiseres verkeerde zij destijds in een financiële noodsituatie. Daarbij merkt eiseres op dat zij op dit moment nog twee andere schulden heeft, bij [bedrijf] B.V..
4.2.
De rechtbank beoordeelt of de minister ten tijde van de beslissing op bezwaar de juiste keuze heeft gemaakt om de hardheidsclausule niet toe te passen. De vraag die daarvoor moet worden beantwoord is of op 7 juni 2023 sprake was van een bijzondere situatie op grond waarvan toepassing van de regels onevenredig nadeel voor eiseres zou opleveren. Het beoordelingsmoment is dus het moment van de beslissing op bezwaar en niet -zoals eiseres stelt- het moment van het aangaan van de schulden. De rechtbank is van oordeel dat de minister in de door eiseres genoemde omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen en de private schulden over te nemen. Dat eiseres de lening bij haar schoonzus moest aangaan om aan haar financiële verplichtingen te voldoen, is geen bijzondere omstandigheid. Zonder af te willen doen aan de gevolgen die de toeslagenaffaire voor eiseres heeft, speelt dit bij meerdere gedupeerden. De situatie van eiseres onderscheidt zich niet van die van andere gedupeerden die ook niet aan de wettelijke voorwaarden voor overname van een schuld voldoen. Verder is niet gebleken dat eiseres ten tijde van de beslissing op bezwaar in een dermate bijzondere situatie verkeerde dat de minister de hardheidsclausule had moeten toepassen. Daarbij is relevant dat de gemachtigde van eiseres op de zitting een overzicht heeft gegeven van schulden bij de Belastingdienst/Toeslagen die vóór de beslissing op bezwaar zijn kwijtgescholden. Van een financiële noodsituatie ten tijde van de beslissing op bezwaar is niet gebleken.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.