Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-10-24
ECLI:NL:RBMNE:2023:6194
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,436 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/3441
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 oktober 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht
(gemachtigde: E.H. Siemeling).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 20 januari 2023.
2. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat het te laat is ingediend en dit niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
4. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden/gepubliceerd. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.
5. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
Is het beroep te laat ingediend?
6. Vaststaat dat verweerder het bestreden besluit van 20 januari 2023 bekend heeft gemaakt door toezending aan eiser per e-mail op die datum. Verweerder mocht dit zo doen. Eiser heeft namelijk op het bezwaarformulier van 6 oktober 2022 toestemming gegeven om in de verdere procedure de post zoals de uitnodiging voor een hoorzitting en de uiteindelijke beslissing op het bezwaarschrift en eventuele overige correspondentie digitaal per e-mail, in plaats van gewone postbezorging, naar hem te verzenden. Verweerder heeft het bestreden besluit dus op 20 januari 2023 op rechtsgeldige wijze bekend gemaakt. Hierdoor eindigde de termijn voor het indienen van het beroepschrift op 3 maart 2023.
7. Eiser heeft op 22 mei 2023 aan verweerder een e-mail gestuurd. Hierin heeft hij meegedeeld dat het besluit van 20 januari 2023 in de spam-box van zijn e-mailadres terecht is gekomen. Als gevolg daarvan heeft hij het besluit te laat onder ogen gekregen. Verweerder heeft in overleg met eiser de e-mail van 22 mei 2023 naar de rechtbank doorgezonden ter behandeling als beroepschrift.
8. Omdat de termijn voor het indienen van het beroepschrift eindigde op 3 maart 2023 en eiser pas op 22 mei 2023 beroep heeft ingesteld, is het beroepschrift dus niet tijdig ingediend.
Is de overschrijding van de beroepstermijn verontschuldigbaar?
9. Zoals al vermeld, heeft eiser het besluit van 20 januari 2023 pas op een veel later moment onder ogen gekregen. Hij heeft zijn spam-box eerder niet gecontroleerd, omdat hij niet meer verwachtte dat hij een reactie zou krijgen van verweerder. De rechtbank oordeelt dat dit geen verontschuldiging is voor het te laat indienen van het beroep. Eiser heeft verweerder immers toestemming gegeven om in de verdere procedure de post per e-mail naar hem te verzenden. Dat eiser de e-mail van 20 januari 2023, met daarbij het bestreden besluit, niet tijdig onder ogen heeft gekregen omdat deze e-mail in de spam-box terecht was gekomen, is een omstandigheid die voor rekening en risico van eiser dient te blijven. Dit geldt ook voor de reden die eiser heeft gegeven om niet eerder in zijn spam-box te kijken. Verweerder heeft de e-mail van 20 januari 2023 naar het correcte e-mailadres van eiser verstuurd, waartoe eiser dus ook toestemming had gegeven. Het heeft dan op de weg van eiser gelegen om (ook) de spam-box in de gaten te houden.
Conclusie
10. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
24 oktober 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.
Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 11 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3552.