Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-10-31
ECLI:NL:RBMNE:2023:6095
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,900 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/1142
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
31 oktober 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder
(gemachtigde: mr. Y. Pieters).
Inleiding
Bij besluit van 30 december 2022 heeft verweerder de aanvraag van eiser om een uitkering uit het Schadefonds Geweldmisdrijven (Schadefonds) afgewezen. De reden daarvoor is dat het verkeersongeluk van eiser geen ‘opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf’ is zoals bedoeld in de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg).
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het bestreden besluit van 15 februari 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld en verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van verweerder op 31 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Beoordeling
1. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag voor een uitkering uit het Schadefonds. Volgens eiser is zijn aanvraag ten onrechte afgewezen omdat zijn verkeersongeluk wel een ‘opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf’ is. De bestuurder zag hem wel maar heeft hem desalniettemin geen voorrang verleend, terwijl de bestuurder wist dat hij het niet zou redden. De bestuurder heeft dan ook bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij eiser zou raken omdat hij ervoor koos om gas te geven bij het oprijden op de rotonde om zo voor eiser langs te gaan. Er is dus sprake van voorwaardelijk opzet bij de bestuurder. Vervolgens is de bestuurder na de aanrijding weggereden.
2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor een uitkering omdat geen sprake is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf in de zin van de Wsg. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
3. Op grond van artikel 3 van de Wsg kunnen – voor zover hier relevant – door verweerder uitkeringen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft opgelopen.
4. In de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven van 1 augustus 2021 (de beleidsregels) staat dat met een geweldsmisdrijf wordt bedoeld een in het Wetboek van Strafrecht strafbaar gesteld misdrijf (of een strafbare poging daartoe), waarbij tegen een persoon geweld is gebruikt of met geweld is gedreigd. Als een voorval niet als misdrijf strafbaar is gesteld in het Wetboek van Strafrecht, dan levert dit geen geweldsmisdrijf op in de zin van artikel 3 van de Wet het geweldsmisdrijf.
5. Verder staat er dat het misdrijf met opzet moet zijn gepleegd. Opzet is een juridisch begrip uit het strafrecht en komt er kort gezegd op neer dat de dader willens en wetens handelde. Bij een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf moet de dader het slachtoffer dus willens en wetens letsel hebben toegebracht. Ook als sprake is van ‘voorwaardelijk opzet’ kan een aanvraag worden ingediend. Met voorwaardelijke opzet wordt bedoeld dat de dader bij zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde, dat het slachtoffer daarbij letsel zou oplopen.
6. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij slachtoffer is geworden van een tegen hem opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daar niet in geslaagd. Uit de beschikbare informatie over het ongeval (de aangifte van eiser) blijkt niet dat de wil van de bestuurder er daadwerkelijk op was gericht eiser letsel toe te brengen of dat hij bewust de aanmerkelijke kans daartoe heeft aanvaard. Uit die aangifte blijkt enkel dat de bestuurder gas gaf om voor eiser langs rechtsaf te slaan. Dat is onvoldoende om voorwaardelijk opzet aan te nemen. Dit temeer omdat ondanks dat de identiteit van de bestuurder bekend is, er geen strafrechtelijk onderzoek plaats heeft gevonden en de bestuurder dus niet strafrechtelijk is vervolgd. De enkele stelling van eiser dat hij van mening is dat wel sprake is van (voorwaardelijk) opzet, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Eiser heeft verder aangevoerd dat hij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase. Volgens eiser heeft hij geen uitnodiging voor de hoorzitting ontvangen.
8. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit het dossier blijkt dat alle brieven gericht aan eiser, zijn geüpload in het digitale systeem van verweerder en dat eiser daarvoor steeds op hetzelfde e-mailadres een notificatie heeft gekregen. Eiser heeft tegen het primaire besluit van verweerder bezwaar gemaakt en tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser is derhalve op de hoogte van de beide besluiten van verweerder, die aan hem op voornoemde wijze bekend zijn gemaakt en dus met deze wijze van bekendmaking bekend. Uit het dossier blijkt dat ook de uitnodiging voor de hoorzitting op voornoemde wijze op 18 januari 2023 aan eiser bekend gemaakt. Eiser heeft ter zitting onderkend dat hij het bericht over de uitnodiging ontvangen heeft, maar dat hij niet bij de desbetreffende brief kon. Eiser heeft daarover geen contact met verweerder opgenomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2023 door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Pruntel, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zoals bijvoorbeeld in de uitspraken van 10 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2322, 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2000 en 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2687