Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-10-20
ECLI:NL:RBMNE:2023:6044
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,956 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/359
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
de Autoriteit woningcorporaties, vertegenwoordigd door de Inspectie Leefomgeving en Transport
(gemachtigden: mr. R. Bal en H.R.E. Eekhof).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Mitros, thans Woonin uit Utrecht (hierna: Mitros).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om handhaving bij Mitros, ingediend bij de Autoriteit Woningcorporaties (Aw).
De Aw heeft op 14 mei 2021 aan eiser geschreven dat zijn verzoek niet als een handhavingsverzoek wordt aangemerkt en dat de Aw niet bevoegd is om een besluit te nemen op het verzoek. Met het bestreden besluit van 17 december 2021 heeft Aw het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Aw heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep na diverse uitstellen uiteindelijk op 5 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de Aw.
Beoordeling
1. Eiser heeft de Aw op 10 januari 2021 verzocht om handhavend op te treden tegen in zijn ogen onrechtmatig en/of niet integer handelen van de zijde van Mitros. Hij noemt daarbij voorbeelden over het gedrag van drie (voormalig) bestuurders en medewerkers van de woningcorporatie en voorbeelden van bewuste fouten in asbestinventarisatierapportages. De drie personen hebben bewust onjuiste informatie aan de huurders verstrekt en ze houden elkaar de hand boven het hoofd. Daarbij weigert Mitros de asbestinventarisatierapportages of juiste informatie daarover vrij te geven of te openbaren.
2. De Aw stelt zich op het standpunt dat zij niet bevoegd is om te handhaven ten aanzien van de asbestinventarisatierapportages en ten aanzien van het handelen van de drie personen bij Mitros.
Voor zover het verzoek de asbestinventarisatierapportages betreft is de gemeente Utrecht bevoegd en is het verzoek doorgezonden.
Het door eiser gestelde niet-integer handelen van de drie personen van Mitros valt niet onder het toezicht als bedoeld in artikel 61, tweede lid, onderdelen a of b, van de Woningwet. De gestelde gedragingen zijn geen onderwerpen waarop de Autoriteit toezicht houdt. Artikel 61, tweede lid, onder b, van de Woningwet ziet niet op toezicht in of naar aanleiding van een individueel conflict tussen een huurder en verhuurder. Daarvoor is de klachtenregeling in het leven geroepen. Als eiser vindt dat hij niet juist wordt behandeld door de woningcorporatie, kan hij zich wenden tot de Nationale Ombudsman. Het toezicht van de Aw richt zich op een (organisatorisch) hoger niveau; het functioneren van de corporatie als geheel. Daarover wordt jaarlijks een toezichtrapport gepubliceerd.
Nu de Aw geen bevoegdheid heeft om op het verzoek te beslissen, kan het verzoek niet worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor het nemen van een besluit. De brief van 14 mei 2021 daarom geen besluit in de zin van de Awb. De Aw verklaart het bezwaarschrift daarom niet-ontvankelijk.
3. Eiser voert aan dat verweerder het handhavingsverzoek ten onrechte niet heeft behandeld. Volgens eiser ziet het verzoek juist op het niet-integer handelen en nalaten van medewerkers van Mitros, van derden in opdracht van Mitros en/of van haar bestuursleden. Volgens eiser zijn de voorbeelden die hij noemt exemplarisch voor de wijze waarop binnen Mitros wordt gewerkt en valt dit onder het toezicht op de zogeheten governance van de woningcorporatie. Eiser verwijst in dit kader onder meer naar het rapport van 26 juni 2017 Toezicht op governance van woningcorporaties, “Bouwen aan vertrouwen” van de Aw en naar het onderdeel “Contouren van toezicht…” op haar website.
4. De rechtbank overweegt dat het geding zich toespitst op het bereik van het toezicht, bedoeld in artikel 61, tweede lid, aanhef onder b, van de Woningwet. Hierin is bepaald dat de Aw toezicht houdt op de governance en de integriteit van beleid en beheer van de toegelaten instellingen en de dochtermaatschappijen. Eiser stelt in zijn verzoek dat de drie personen die hij noemt niet integer zijn, bewust onjuiste of onvolledige informatie verstrekken over ernstige zaken, valsheid in geschrifte plegen en wettelijke verplichtingen bewust niet nakomen. Hij noemt hierbij diverse voorbeelden per persoon. Verder noemt hij andere zaken (“misdragingen”) bij Mitros, zoals niet genoemd willen worden als opdrachtgever bij onjuiste of vervalste (asbest)rapportages of het achterhouden ervan. Gezien de ernst van de misdragingen verzoekt eiser de Aw hierover zelf een standpunt in te nemen en de verantwoordelijke ministers in te lichten. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat hij de aangevoerde zaken tezamen beschouwt als een gebrek aan integriteit bij Mitros en dat dit daarom onder het bereik van het toezicht op de governance valt.
5. Voor zover de Aw zich op het standpunt stelt dat niet duidelijk is wat eiser met het verzoek beoogt, volgt de rechtbank dit niet. Hij verzoekt de verantwoordelijke minister te informeren, wat de Aw kan doen door middel van een toezichtsignaal. In bezwaar verzoekt hij orde op zaken te stellen bij Mitros. Eiser verwijst onder meer naar de interventieladder van de Aw. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek hiermee voldoende bepaald.
6. Voor zover de Aw zich op het standpunt stelt dat “governance” alleen in samenhang met of als voorafgaand aan integriteit van beleid kan worden beoordeeld, heeft de rechtbank hiervoor geen rechtsgrond gevonden, ook niet in de ontstaansgeschiedenis van de bepaling. De Aw definieert governance zelf als het geheel van de activiteiten van sturen, beheersen, toezicht houden en verantwoorden in hun onderlinge samenhang. Ook is opgenomen dat de governance van de corporaties centraal staat in het toezicht van de Aw op individuele corporaties. Blijkens de eigen website kijkt de Aw bij het toezicht naar gedrag en cultuur van en tussen bestuurders, intern toezicht, de organisatie en omgeving. Dat, zoals in het verweerschrift is gesteld, het toezicht op de governance er is, omdat met een goede governance onder andere integriteitsschendingen en onrechtmatig handelen en nalaten als eerder bedoeld kan voorkomen, moge zo zijn, maar een rechtsgrond om dit onderdeel niet afzonderlijk te toetsen heeft de rechtbank niet gevonden. Daarom acht de rechtbank op voorhand niet uitgesloten dat hetgeen eiser in zijn verzoek heeft gesteld, in onderlinge samenhang bezien, betrekking kan hebben op de governance (en integriteit van beleid) die valt onder de reikwijdte van het toezicht van de Aw, volgens artikel 61, lid 2 onder b, Woningwet.
7. Voor het standpunt dat de Aw niet bevoegd is om te oordelen over individuele gevallen, heeft de Aw ter zitting verwezen naar artikel 55b, derde lid, van de Woningwet. Hierin is opgenomen dat er een reglement is voor de behandeling van klachten over handelen of nalaten van corporaties. Blijkens de ontstaansgeschiedenis is deze bepaling inderdaad ingevoerd ten behoeve van (alternatieve) beslechting van consumentengeschillen. En ontegenzeggelijk heeft eiser een conflict met (voorheen) Mitros. Eiser heeft de klachtenprocedure ook doorlopen, maar daarin geen gelijk gekregen. Ter zitting heeft de Aw toegelicht dat zij alleen ingrijpt als gebleken is dat een dergelijke procedure niet aanwezig is of niet functioneert. Dus alleen als er op organisatorisch niveau wat mis is. Eiser stelt dat daarvan in dit geval juist sprake is, gezien de wijze waarop zijn klachten zijn behandeld, ook al heeft hij uiteindelijk een gesprek gehad met de toenmalige voorzitter van de Raad van Commissarissen. Hij meent dat juist ook op de uitvoering van de regeling toezicht moet worden gehouden, omdat gebleken is dat de klachtenprocedure niet behoorlijk wordt uitgevoerd.
8. Naar het oordeel van de rechtbank sluit artikel 55b, derde lid, Woningwet de bevoegdheid om op te treden naar aanleiding van individuele meldingen niet uit, te meer nu eiser stelt dat de integriteit en governance bij Mitros niet op orde is. De regeling zelf, noch de totstandkoming daarvan, biedt voldoende grond voor de conclusie dat in dergelijke gevallen de Aw niet tot handhaven bevoegd is. Uit de wetsgeschiedenis valt wel een soort getrapt toezicht op te maken: de raad van toezicht van de corporatie zal oog houden op het maatschappelijke presteren van de toegelaten instelling… en ... “Het oordeel van de raad van toezicht vormt, naast de jaarverslagen en andere signalen, de basis voor het externe toezicht door de minister van BZK om tot een oordeel te komen over het presteren. De minister van BZK kan nadere informatie opvragen op basis van bijvoorbeeld de jaarstukken of signalen van de autoriteit of van belanghebbenden die duiden op problemen rond het presteren of de integriteit van een toegelaten instelling. Op basis van de beschikbare informatie kan worden beoordeeld welke maatregelen door de toegelaten instelling (bestuur en raad van toezicht) worden getroffen om tot verbetering te komen.
Conclusie
12. Het beroep is gegrond, omdat de Aw wel bevoegd is. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank zal in zoverre zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen. Verweerder moet daarom een nieuw besluit op eisers handhavingsverzoek nemen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
13. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit op bezwaar van 17 december 2021;
- herroept de beslissing van 14 mei 2021;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt op het verzoek van eiser;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
TK 2010/11 32 769 nr. 3, m.n. p. 27 e.v.
Aw, toezicht op governance (2017) en website geraadpleegd op 5 oktober 2023.
TK 2013/14 33 966 nr. 3 p. 74
TK 2010/11 32 769 nr. 3, pagina 29.