Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-08-23
ECLI:NL:RBMNE:2023:5860
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,013 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 10378420 \ UC EXPL 23-1622 RJ/58605
Vonnis van 23 augustus 2023
in de zaak van
de besloten vennootschap
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. J.J.F.M. Konings,
tegen
de besloten vennootschap
[gedaagde] B.V., handelend onder de naam [handelsnaam],
gevestigd te Driebergen-Rijsenburg,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
vertegenwoordigd door haar bestuurder: [bestuurder] .
Partijen worden hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 31 januari 2023 met producties;
de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties;
de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte vermindering van eis met producties, ontvangen op 14 juli 2023.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 juli 2023. Daarbij is namens [eiseres] verschenen als zaakwaarnemer de heer L. Tripic (kantoorgenoot van mr. J.J.F.M. Konings). Zonder voorafgaand bericht van verhindering is niemand aan de zijde van [gedaagde] verschenen. De griffier heeft van de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.
1.3.
De kantonrechter heeft bepaald dat het vonnis in deze zaak vandaag wordt uitgesproken.
Feiten
2.1.
Tussen partijen is een overeenkomst van aanneming van werk tot stand gekomen, op grond waarvan [eiseres] begin augustus 2021 onderhoud- en herstelwerkzaamheden aan een mangel van [gedaagde] heeft uitgevoerd. Op 9 augustus 2021 heeft [eiseres] hiervoor de factuur met een factuurbedrag van € 2.096,31 naar [gedaagde] gestuurd en gevraagd dit bedrag vóór 19 augustus 2021 te betalen.
2.2.
[gedaagde] heeft het factuurbedrag, ondanks verschillende aanmaningen om het verschuldigde bedrag ineens te betalen, niet volledig betaald. In de periode van 13 december 2022 tot en met 6 juni 2023 heeft [gedaagde] 23 × € 75,00, dus in totaal € 1.725,00, aan [eiseres] betaald.
Geschil
in conventie
3.1.
[eiseres] vordert, na eiswijziging, samengevat:
[gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 1.114,79, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf 31 januari 2023 tot de dag der algehele voldoening;
[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten en de wettelijke handelsrente daarover;
het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het bedrag dat wordt gevorderd, bestaat uit de hoofdsom van € 2.096,31, wettelijke handelsrente van € 363,00 (berekend tot en met 14 juli 2023), buitengerechtelijke incassokosten van € 314,45, btw over de buitengerechtelijke incassokosten van € 66,03, minus € 1.725,00 aan ontvangen betalingen. Bij ontvangst van alle deelbetalingen van[gedaagde] heeft [eiseres] toepassing gegeven aan artikel 6:44 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
3.2.
[gedaagde] betwist de hoofdvordering in conventie op zichzelf niet en geeft aan dat zij wekelijks is gaan betalen. Wel stelt zij een schadevergoedingsvordering van € 3000,00 jegens [eiseres] te hebben wegens wanprestatie – die zij in reconventie vordert – en vraagt zij de kantonrechter om het restbedrag van de factuur te seponeren – de kantonrechter begrijpt: af te wijzen –.
in reconventie
3.3.
[gedaagde] is niet tevreden over de reparatie en stelt dat [eiseres] geen goede lijm heeft gebruikt. Hierdoor is volgens [gedaagde] het roldoek van de mangel al meerdere keren losgekomen, waardoor de mangel niet gebruikt kon worden en [gedaagde] haar was door een andere wasserij heeft moeten laten doen. De kosten hiervan zijn € 3.000,00. Doordat de roldoek los is gekomen is ook een schraper afgebroken. Ter onderbouwing van haar stellingen legt [gedaagde] twee foto’s over.
3.4.
[gedaagde] vordert, gelet op bovenstaande, een bedrag van € 3.000,00 aan schadevergoeding van [eiseres] .
3.5.
[eiseres] zegt dat het haar onbekend is dat de in augustus 2021 uitgevoerde werkzaamheden niet goed zouden zijn uitgevoerd. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] nooit bij haar daarover geklaagd of een ingebrekestelling verzonden. Bovendien valt volgens [eiseres] uit de foto’s niet duidelijk op te maken waar en wanneer ze zijn genomen, laat staan dat zij zien op de beweerdelijke vordering en stellingen van [gedaagde] . [eiseres] concludeert daarom tot afwijzing van de vordering en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de wettelijke rente daarover.
Beoordeling
4.1.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in conventie
Hoofdsom
4.2.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] de verschuldigdheid van het factuurbedrag van € 2.096,31 als zodanig niet heeft betwist.
4.3.
Anders dan [gedaagde] lijkt te betogen, is [eiseres] niet verplicht om akkoord te gaan met de door [gedaagde] gewenste deelbetalingen van het factuurbedrag. [eiseres] mag van [gedaagde] verlangen dat zij het verschuldigde factuurbedrag in één keer betaalt.
4.4.
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] in de periode van 13 december 2022 tot en met 6 juni 2023 23 deelbetalingen heeft gedaan van € 75,00, dus in totaal een bedrag van € 1.725,00. Bij ontvangst van deze deelbetalingen heeft [eiseres] ervoor gekozen om toepassing te gegeven aan artikel 6:44 lid 1 BW, waardoor volgens [eiseres] nog een bedrag van € 1.149,79 van het factuurbedrag resteert; de buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw, de tot en met 14 juli 2023 vervallen rente en een deel van het factuurbedrag zijn volgens [eiseres] met voormelde deelbetalingen betaald.
Tegen i) deze toepassing van artikel 6:44 lid 1 BW, waarop [eiseres] in de dagvaarding heeft gewezen, en ii) de door [eiseres] in de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte vermindering van eis gemaakte berekeningenis [gedaagde] weliswaar niet opgekomen, maar [eiseres] kan niet helemaal daarin gevolgd worden. Daartoe is het volgende redengevend. [eiseres] heeft een bedrag van € 66,03 aan btw over de buitengerechtelijke incassokosten in haar berekeningen betrokken. De gevorderde btw is niet verschuldigd, omdat [eiseres] niet heeft gesteld geen ondernemer te zijn in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 of als ondernemer een vrijgestelde prestatie verricht te hebben. De gevorderde btw is daarom niet door [gedaagde] verschuldigd. Dit betekent dat de juiste berekening de volgende is:
factuurbedrag € 2.096,31
tot en met 14 juli 2023 vervallen rente € 363,00
buitengerechtelijke incassokosten € 314,45
Subtotaal € 2.773,76
- totaal van alle deelbetalingen € 1.725,00
Totaal € 1.048,76
4.5.
[gedaagde] is gehouden om dit bedrag van € 1.048,76, zijnde het restant van het factuurbedrag, aan [eiseres] te betalen. Er is geen reden om deze vordering af te wijzen. Voor zover [gedaagde] heeft bedoeld te stellen dat haar schadevergoedingsvordering van € 3.000,00 met dit restant moet worden verrekend, slaagt het beroep op verrekening niet. Ter motivering verwijst de kantonrechter naar wat onder 4.9. tot en met 4.11. staat, dat hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Omdat niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde] de door haar gestelde schadevergoedings-vordering jegens [eiseres] heeft, valt er ook niets te verrekenen.[gedaagde] wordt dan ook veroordeeld om het bedrag van € 1.048,76 aan [eiseres] te betalen.
Wettelijke handelsrente
4.6.
De gevorderde wettelijke handelsrente over het bedrag van € 1.048,76 wordt met ingang van 15 juli 2023 toegewezen, zoals in de beslissing vermeld. De over de periode van 31 januari 2023 tot en met 14 juli 2023 gevorderde wettelijke handelsrente wordt afgewezen omdat die rente volgens de eigen berekening van [eiseres] al door [gedaagde] is betaald. Zie in dit verband ook wat onder 4.4. staat.
Proceskosten
4.7.
[gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en zij wordt daarom in de kosten veroordeeld. Dit betekent dat zij haar eigen kosten moet dragen en de proceskosten van [eiseres] aan haar moet betalen. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [eiseres] als volgt vastgesteld:
- kosten van de dagvaarding
€
109,33
- griffierecht
€
487,00
- salaris gemachtigde
€
464,00
(2 punten × € 232,00)
Totaal
€
1.060,33
4.8.
[eiseres] vordert ook wettelijke handelsrente over de proceskosten. De gevorderde wettelijke handelsrente over de proceskosten is niet toewijsbaar aangezien een proceskostenveroordeling niet voortvloeit uit een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW. De wettelijke handelsrente over de proceskosten wordt daarom afgewezen. In plaats daarvan wordt de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten toegewezen zoals in de beslissing vermeld.
in reconventie
4.9.
De vordering van [gedaagde] tot veroordeling van [eiseres] tot betaling van € 3.000,00 aan schadevergoeding wordt afgewezen. Hierna wordt toegelicht waarom.
4.10.
Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding wegens wanprestatie is op grond van artikel 6:74 lid 2 BW onder meer nodig dat de schuldenaar in verzuim verkeert, indien nakoming van de verbintenis niet reeds blijvend onmogelijk is. Verzuim treedt volgens artikel 6:82 BW in na ingebrekestelling door de schuldeiser, behoudens de uitzonderingen genoemd in artikel 6:83 BW. [gedaagde] heeft niet gesteld dat zij [eiseres] in gebreke heeft gesteld. Evenmin heeft [gedaagde] gesteld dat nakoming van de verbintenis door [eiseres] blijvend onmogelijk was of dat zich een geval als bedoeld in artikel 6:83 BW heeft voorgedaan.
4.11.
Het voorgaande betekent dat niet kan worden vastgesteld dat [eiseres] in verzuim verkeert. Reeds om die reden kan de vordering tot veroordeling van [eiseres] tot betaling van schadevergoeding niet worden toegewezen. De vordering wordt dan ook afgewezen.
Proceskosten
4.12.
[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten. Dit betekent dat zij haar eigen kosten moet dragen en de proceskosten van [eiseres] aan haar moet betalen. De proceskosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] worden begroot op € 232,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x € 232,00 x factor 0,5 wegens de samenhang tussen de vorderingen en stellingen in conventie en reconventie).
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals in de beslissing vermeld.
in conventie en in reconventie
Nakosten
4.14.
Onder de proceskosten vallen ook nakosten. De gevorderde veroordeling van [gedaagde] in de nakosten is toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment kunnen worden begroot.
Dictum
De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.048,76, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 juli 2023, tot de dag van volledige betaling, waarbij rekening wordt gehouden met betalingen met ingang van 7 juni 2023;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten; zij moet aan [eiseres] haar proceskosten betalen, tot dit vonnis vastgesteld op € 1.060,33, waarin begrepen € 464,00 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
in reconventie
5.3.
wijst de vordering af;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten; zij moet aan [eiseres] haar proceskosten betalen, tot dit vonnis vastgesteld op € 232,00 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
zowel in conventie als reconventie
5.5.
veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
€ 116,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot aan de voldoening,
te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot aan de voldoening;
5.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op23 augustus 2023.
Zie artikel 6:29 BW.
Zie het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:853).
Zie het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:688).