Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-10-11
ECLI:NL:RBMNE:2023:5743
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
992 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/5829
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 oktober 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
het college van bestuur van de Universiteit Utrecht
(gemachtigde: mr. F.J. Hoogeveen).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser van 22 december 2022 tegen het uitblijven van een besluit op zijn verzoek op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van 19 oktober 2022.
Op 6 januari 2023 heeft het college een verweerschrift ingediend.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
1. De rechtbank is van oordeel dat zij onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen.
2. De rechtbank stelt vast dat eiser op 19 oktober 2022 met een beroep op artikelen 5, 12 en 15 van de AVG heeft verzocht om informatie over alle dossierstukken die ten grondslag lagen aan alle besluiten in 2008. Tevens wenst hij een verklaring waarom het college zaken heeft verzwegen. De rechtbank is van oordeel dat dit verzoek niet kan worden aangemerkt als een verzoek in de zin van de AVG. Dit verzoek is onvoldoende gespecificeerd en te algemeen geformuleerd. Voorop staat dat een verzoek op grond van artikel 15 van de AVG niet verder strekt dan het verkrijgen van informatie over en inzage in de verwerking van persoonsgegevens. Een verzoek zoals door eiser is gedaan valt daar niet onder. Het verzoek is ook niet gericht op het krijgen van rectificatie van persoonsgegevens, op het wissen van persoonsgegevens of op de beperking van de verwerking van de persoonsgegevens in de zin van artikelen 16, 17 en 18 van de AVG. De door eiser genoemde artikelen 5 en 12 van de AVG bieden evenmin een grondslag om zijn verzoek als AVG-verzoek aan te merken.
3. Omdat eisers verzoek geen verzoek in de zin van de AVG is, is er geen sprake van een aanvraag in de zin van de Awb. Ook anderszins kan eisers verzoek niet als aanvraag in de zin van de Awb worden aangemerkt. Er kan daarom – gelet op artikel 6:2, aanhef en onder b, en artikel 8:1, eerste lid, van de Awb – ook geen beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingesteld. De rechtbank is onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
4. Het college heeft gevraagd om eiser te veroordelen in door hem gemaakte proceskosten op grond van artikel 8:75 van de Awb. Het college heeft dit niet toegelicht. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om eiser te veroordelen in de proceskosten van het college.
5. Eiser heeft gevraagd om het college te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten. Gelet op de uitkomst van deze zaak ziet de rechtbank daarvoor evenmin aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.