Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-10-11
ECLI:NL:RBMNE:2023:5742
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,360 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/644
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 oktober 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
het college van bestuur van de Universiteit Utrecht
(gemachtigde: mr. F.J. Hoogeveen).
Inleiding
In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser over zijn verzoek van 23 december 2022 op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
Eiser heeft op 9 februari 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek.
Op 24 februari 2023 heeft het college een verweerschrift ingediend.
Bij besluit van 1 maart 2023 heeft het college alsnog een besluit genomen en eisers verzoek afgewezen. Daarnaast heeft het college bij dit besluit vastgesteld dat een dwangsom van € 69,- is verbeurd vanwege het niet tijdig beslissen op eisers verzoek.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
Het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen
Het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk. Eiser heeft geen belang meer bij dit beroep, omdat het college op 1 maart 2023 alsnog op zijn verzoek in het licht van de AVG en zijn verzoek om een dwangsom vanwege niet tijdig beslissen, heeft beslist. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 1 maart 2023
Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb is van rechtswege een beroep van eiser ontstaan tegen het besluit van 1 maart 2023. De rechtbank ziet geen aanleiding om het van rechtswege ontstane beroep naar het college te verwijzen om het als een bezwaarschrift te behandelen (op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb). De rechtbank beoordeelt daarom het beroep van eiser tegen dit besluit.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser onder verwijzing naar de artikelen 5, 12 en 15 van de AVG heeft verzocht om alle AVG-informatie over de gegevens en de gegevensverwerkingen genoemd in een zevental brieven die hij het college heeft gestuurd (appendices A, B, C, D, E, F, G). De rechtbank is van oordeel dat dit verzoek niet kan worden aangemerkt als een verzoek in de zin van de AVG. Dit verzoek is onvoldoende gespecificeerd en te algemeen geformuleerd. Voorop staat dat een verzoek op grond van artikel 15 van de AVG niet verder strekt dan het verkrijgen van informatie over en inzage in de verwerking van persoonsgegevens. Een verzoek zoals door eiser is gedaan valt daar niet onder. Het verzoek is ook niet gericht op het krijgen van rectificatie van persoonsgegevens, op het wissen van persoonsgegevens of op de beperking van de verwerking van de persoonsgegevens in de zin van artikelen 16, 17 en 18 van de AVG. De door eiser genoemde artikelen 5 en 12 van de AVG bieden evenmin een grondslag om zijn verzoek als AVG-verzoek aan te merken.
4. Omdat eisers verzoek geen verzoek in de zin van de AVG is, is een reactie op dat verzoek geen besluit in de zin van de Awb. De brief van het college van 1 maart 2023 is dus geen besluit. Het beroep van eiser voor zover daartegen gericht is daarom niet-ontvankelijk.
5. Eiser heeft verzocht om toewijzing van een dwangsom wegens niet-tijdig beslissen. Het college heeft daarover een besluit genomen, waarvan eiser de juistheid niet heeft betwist. Dit onderdeel van het besluit van 1 maart 2023 behoeft dan ook geen verdere bespreking.
6. Eiser heeft gevraagd om het college te veroordelen in door hem gemaakte proceskosten. De rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding, omdat het beroep niet-ontvankelijk is.
7. Het college heeft gevraagd om eiser te veroordelen in door hem gemaakte proceskosten op grond van artikel 8:75, eerste lid, derde zin, van de Awb, omdat eiser door het instellen van beroep kennelijk onredelijk gebruikmaakt van het procesrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding om eiser op deze grond te veroordelen in de proceskosten van het college, omdat dit verzoek door het college niet is onderbouwd.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 1 maart 2023 niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.