Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-11-02
ECLI:NL:RBMNE:2023:5739
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
1,075 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/5122
uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 november 2023 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden.
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn verzoek om de verhuisdatum van zijn dochter naar zijn adres in de Basisregistratie personen (Brp) te corrigeren.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Het college heeft het verzoek met het besluit van 6 oktober 2023 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Beoordeling
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Dat betekent dat er redenen moeten zijn die maken dat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht en dat er eerder een rechter over de zaak moet oordelen. De voorzieningenrechter heeft verzoeker gevraagd wat die redenen in zijn geval zijn. Verzoeker heeft in reactie daarop benoemd dat hij al erg lang bezig is om de verhuisdatum van zijn dochter in de Brp aangepast te krijgen en in overeenstemming te brengen met de werkelijkheid. Hij ondervindt problemen bij de SVB en de Belastingdienst omdat deze instanties uitgaan van de onjuiste datum in de Brp. Verzoeker heeft echter niet concreet gemaakt waaruit de problemen die zijn ontstaan doordat in de Brp de datum van 5 maart 2021 is opgenomen, in plaats van 1 december 2020, precies bestaan, wat de omvang van die problemen is, en wat de gevolgen ervan voor hem zijn. Verzoeker heeft ook niet inzichtelijk gemaakt of die problemen ook nu nog (geruime tijd na zowel de datum van 5 maart 2021, als de datum van 1 december 2020) bestaan. De voorzieningenrechter vindt daarom dat verzoeker onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een spoedeisend belang waardoor van verzoeker niet verwacht kan worden dat hij de beslissing op bezwaar afwacht. Deze beslissing op bezwaar is binnen redelijk afzienbare tijd te verwachten en als verzoeker het daar niet mee eens is, kan hij beroep instellen bij de rechtbank. Als verzoeker dat tijdig doet, volgt er alsnog een inhoudelijke beoordeling door een rechter over de afwijzing van het verzoek tot correctie van de verhuisdatum.
Er is dus geen sprake van “onverwijlde spoed” die maakt dat er nu een inhoudelijke beslissing door een rechter moet worden genomen.
Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het besluit van 6 oktober 2023 evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake.
Conclusie
4. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2023.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.