Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-08-29
ECLI:NL:RBMNE:2023:5673
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,120 tokens
Dictum
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
woonplaats kiezende op het kantoor van mr. G.J. Boven, advocaat te Leusden,
hierna te noemen: de veroordeelde.
Feiten
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft aan veroordeelde bij arrest van 28 november 2018 een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Veroordeelde moet aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde] B.V., een bedrag van € 1.015.902,97 betalen als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen hechtenis.
Procedure
Het verzoek van de veroordeelde is op 24 februari 2023 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. De rechtbank heeft het verzoek op 15 augustus 2023 op de openbare terechtzitting behandeld. De veroordeelde is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet op de zitting verschenen. Ook zijn advocaat, mr. Boven, is niet verschenen op de zitting. De griffier heeft tijdens de zitting telefonisch contact opgenomen met mr. Boven. Mr. Boven gaf aan - in verband met een afspraak elders - niet in staat te zijn naar de zitting te komen en dat hij ervan uitging dat de zaak zou worden aangehouden, conform zijn verzoek per e-mail daartoe van 11:26 uur eerder die dag. De griffier heeft mr. Boven daarop laten weten dat zij hem kort na ontvangst van zijn e-mail (om 11:55 uur) eveneens per e-mail had bericht dat de rechtbank het aanhoudingsverzoek zou afwijzen. Aan mr. Boven is nog de mogelijkheid geboden de zitting telefonisch bij te wonen teneinde de standpunten van veroordeelde toe te lichten. Mr. Boven gaf aan van die mogelijkheid geen gebruik te willen maken.
Inhoud verzoekschrift
Het verzoek strekt tot matiging van de aan veroordeelde opgelegde schadevergoeding. Volgens veroordeelde is het openstaande bedrag inmiddels opgelopen tot ruim € 1.400.000,00 en is hij niet in staat dat bedrag in de rest van zijn leven af te betalen. Veroordeelde verzoekt daarom het bedrag te matigen naar rato van zijn draagkracht tot een bedrag van € 60.000 en voorts te bepalen dat de duur van de eventuele gijzeling met toepassing van artikel 6.6.25 Sv ten hoogste kan worden gesteld op 30 dagen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek van veroordeelde moet worden afgewezen. Het verzoekschrift betreft een verminderingsverzoek op basis van artikel 6:6:26 Sv. Aan veroordeelde is echter een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en geen ontnemingsmaatregel. Een verminderingsverzoek bij een schadevergoedingsmaatregel is niet mogelijk.
Beoordeling
Op grond van artikel 6:6:26 Sv kan de rechter die een betalingsverplichting heeft opgelegd in het kader van een ontnemingsmaatregel op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de veroordeelde het vastgestelde bedrag verminderen of kwijtschelden of bevelen dat een reeds betaald of verhaald bedrag geheel of gedeeltelijk wordt teruggegeven of aan een derde wordt uitgekeerd. Ook artikel 6:6:25 Sv waarop veroordeelde een beroep doet, heeft betrekking op een ontnemingsmaatregel en op een in een strafbeschikking opgelegde boete. Uit de stukken is gebleken dat aan veroordeelde geen boete of ontnemingsmaatregel, maar een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd. Het matigingsverzoek van veroordeelde valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 6.6.26 Sv, noch onder dat van artikel 6.6.25 Sv, maar onder artikel 6.4.20 Sv, volgens welk artikel niet de rechtbank maar het openbaar ministerie beslist over toepassing van het dwangmiddel gijzeling jegens de veroordeelde indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt bij een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ten behoeve van het slachtoffer of diens nabestaanden. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat ten aanzien van het verzoek niet de juiste rechtsgang is bewandeld. Verzoeker dient daarom niet-ontvankelijk in zijn verzoekschrift te worden verklaard.
Dictum
De rechtbank verklaart veroordeelde niet-ontvankelijk in zijn verzoekschrift.
Deze beslissing is gegeven door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, mr. I.G.C. Bij de Vaate en mr. J.E.S. Dolmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.J.A. Barends, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 augustus 2023.
De jongste rechter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.