Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-10-13
ECLI:NL:RBMNE:2023:5375
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,994 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/2123
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R.J. Ouderdorp),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: R.M.H. Rokebrand).
Inleiding
Eiseres heeft gewerkt als postbezorgster voor ongeveer 11 uur per week. Op 8 november 2016 heeft zij zich ziek gemeld. Na twee jaar heeft zij een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) bij het Uwv aangevraagd. Het Uwv heeft aan eiseres geen WIA-uitkering toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft wel aan eiseres een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend. Vanuit deze situatie heeft eiseres zich meerdere malen toegenomen arbeidsongeschikt gemeld, waaronder per 22 februari 2021 en 26 maart 2021.
Met de beschikking van 27 juli 2021 (primaire besluit) heeft het Uwv beslist dat eiseres geschikt wordt geacht voor haar eigen werk en daarom geen uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) krijgt. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 27 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft een aanvullend beroepschrift ingediend.
3. De rechtbank heeft het beroep op 7 september 2023 op een zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.Beoordelingskader
4. De rechtbank moet aan de hand van wat eiseres naar voren heeft gebracht beoordelen of het Uwv terecht heeft geweigerd om per 22 februari 2021 en per 26 maart 2021 aan eiseres een ZW-uitkering toe te kennen.
5. Bij de inhoudelijke beoordeling van de zaak stelt de rechtbank voorop dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende begrijpelijk zijn. De rapporten en de besluiten die daarop gebaseerd zijn, zijn in beroep wel aanvechtbaar. Het is echter aan de eisende partij om aan te voeren (en zo nodig aannemelijk te maken) dat de rapporten niet aan de drie genoemde voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de drie genoemde voorwaarden is voldaan. Voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Dat betekent dat hoe eiser zich zelf voelt, zonder dat daar een medische onderbouwing voor is, niet genoeg is om bij de rechtbank gelijk te krijgen.Beoordeling door de rechtbank
6. Tussen partijen is in geschil of het Uwv aan eiseres een ZW-uitkering per 22 februari 2021 en 26 maart 2021 mocht weigeren. De rechtbank oordeelt dat het Uwv terecht heeft beslist dat aan eiseres geen ZW-uitkering is toegekend. De rechtbank zal dat hierna uitleggen.
Procedureel
7. Eiseres voert aan dat zij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase. Zij heeft ter onderbouwing van dit standpunt diverse e-mailberichten aan het Uwv overgelegd. Volgens eiseres is het onderzoek van het Uwv hierdoor niet zorgvuldig tot stand gekomen.
8. Op de zitting is duidelijk geworden dat partijen het erover eens zijn dat in de bezwaarfase een hoorzitting plaats had moeten vinden. Het Uwv heeft ook erkend dat ten onrechte niet op de e-mailberichten over de hoorzitting van eiseres is gereageerd. Partijen verschillen van mening over de gevolgen die hieraan verbonden moeten worden. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat eiseres tijdens de zitting bij de rechtbank voldoende gelegenheid heeft gehad om haar standpunten toe te lichten. Het Uwv heeft de rechtbank daarom verzocht om het gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens eiseres kan het gebrek niet gepasseerd worden omdat partijen een verschil van mening hebben over de feiten die in deze zaak van belang zijn.
9. De rechtbank stelt vast dat geen hoorzitting heeft plaatsgevonden, terwijl dit wel had gemoeten. Het bestreden besluit is in strijd met de wet genomen. Er is sprake van een gebrek. De rechtbank overweegt dat eiseres de gelegenheid heeft gehad om in beroep haar standpunten naar voren te brengen en stukken te overleggen en dat zij ook van deze gelegenheid gebruik heeft gemaakt. Het is daarom niet aannemelijk dat eiseres is benadeeld door het overslaan van een hoorzitting in de bezwaarfase. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het gebrek aan het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 Awb te passeren.
Inhoudelijk
10. Eiseres voert verder aan dat zij in de bezwaarfase informatie van de huisarts van 26 oktober 2022 en 22 september 2022 heeft ingebracht en dat het Uwv deze informatie ten onrechte niet bij de besluitvorming heeft betrokken.
11. De rechtbank komt tot oordeel dat het Uwv de informatie van de huisarts van 26 oktober 2022 en 22 september 2022, die eiseres in de bezwaarfase heeft overgelegd, niet kenbaar heeft betrokken bij de medische beoordeling. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 oktober 2022 volgt wel dat de medische informatie aan het dossier is toegevoegd. In de inhoudelijke beoordeling wordt in dat rapport echter in het geheel niet ingegaan op de overgelegde medische informatie. Uit dat rapport wordt dus niet inzichtelijk dat de informatie is betrokken en welke invloed de informatie heeft op de medische beoordeling. Tijdens de zitting heeft het Uwv toegelicht dat de informatie wel is betrokken in het aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 juni 2023. De rechtbank overweegt dat dit rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is opgesteld als reactie op het door eiseres ingestelde beroep. Daaruit blijkt dus niet dat de overgelegde informatie ook in de bezwaarfase bij de beoordeling is betrokken.
12. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep is daarom gegrond. Er is sprake van een onzorgvuldige voorbereiding van het besluit zoals bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
13. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen wat de gevolgen zijn van de vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank overweegt als volgt. De informatie van de huisarts gaat over een bezoek aan de spoedeisende hulp in oktober 2021. De rechtbank overweegt dat oktober 2021 te ver af ligt van de data in geding in deze zaak en dat het Uwv deze informatie daarom terecht niet bij zijn beoordeling heeft betrokken. Het deel van de informatie van de huisarts dat gaat over de behandeling bij Altrecht gaat volgens de rechtbank wel over de periode 22 februari 2021 en 26 maart 2021. Volgens de rechtbank is deze informatie al door de primaire arts het rapport van 23 juli 2021 meegenomen. De informatie van de huisarts bevat op dit punt geen nieuwe medische feiten. Gelet op het voorgaande heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het aanvullend rapport van 30 juni 2023 terecht overwogen dat de door eiseres in bezwaar ingebracht medische informatie niet tot een andere uitkomst leidt. De rechtbank laat daarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
14. Eiseres heeft in haar beroepschrift verder aangevoerd dat sprake is van een motiveringsgebrek omdat het rapport van 27 oktober 2022, dat onderdeel uitmaakt van het besteden besluit, onvoldoende gemotiveerd is. Tijdens de zitting heeft eiseres de schriftelijke gronden die gaan over het motiveringsgebrek opnieuw geformuleerd.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 27 februari 2023;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 50,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.674,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. R. van Manen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 7:3 en 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:581.
Artikel 3:2 Awb.
Dit kan met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, Awb.
Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/2123
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R.J. Ouderdorp),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: R.M.H. Rokebrand).
Inleiding
Eiseres heeft gewerkt als postbezorgster voor ongeveer 11 uur per week. Op 8 november 2016 heeft zij zich ziek gemeld. Na twee jaar heeft zij een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) bij het Uwv aangevraagd. Het Uwv heeft aan eiseres geen WIA-uitkering toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft wel aan eiseres een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend. Vanuit deze situatie heeft eiseres zich meerdere malen toegenomen arbeidsongeschikt gemeld, waaronder per 22 februari 2021 en 26 maart 2021.
Met de beschikking van 27 juli 2021 (primaire besluit) heeft het Uwv beslist dat eiseres geschikt wordt geacht voor haar eigen werk en daarom geen uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) krijgt. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 27 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft een aanvullend beroepschrift ingediend.
3. De rechtbank heeft het beroep op 7 september 2023 op een zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.Beoordelingskader
4. De rechtbank moet aan de hand van wat eiseres naar voren heeft gebracht beoordelen of het Uwv terecht heeft geweigerd om per 22 februari 2021 en per 26 maart 2021 aan eiseres een ZW-uitkering toe te kennen.
5. Bij de inhoudelijke beoordeling van de zaak stelt de rechtbank voorop dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende begrijpelijk zijn. De rapporten en de besluiten die daarop gebaseerd zijn, zijn in beroep wel aanvechtbaar. Het is echter aan de eisende partij om aan te voeren (en zo nodig aannemelijk te maken) dat de rapporten niet aan de drie genoemde voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de drie genoemde voorwaarden is voldaan. Voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Dat betekent dat hoe eiser zich zelf voelt, zonder dat daar een medische onderbouwing voor is, niet genoeg is om bij de rechtbank gelijk te krijgen.Beoordeling door de rechtbank
6. Tussen partijen is in geschil of het Uwv aan eiseres een ZW-uitkering per 22 februari 2021 en 26 maart 2021 mocht weigeren. De rechtbank oordeelt dat het Uwv terecht heeft beslist dat aan eiseres geen ZW-uitkering is toegekend. De rechtbank zal dat hierna uitleggen.
Procedureel
7. Eiseres voert aan dat zij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase. Zij heeft ter onderbouwing van dit standpunt diverse e-mailberichten aan het Uwv overgelegd. Volgens eiseres is het onderzoek van het Uwv hierdoor niet zorgvuldig tot stand gekomen.
8. Op de zitting is duidelijk geworden dat partijen het erover eens zijn dat in de bezwaarfase een hoorzitting plaats had moeten vinden. Het Uwv heeft ook erkend dat ten onrechte niet op de e-mailberichten over de hoorzitting van eiseres is gereageerd. Partijen verschillen van mening over de gevolgen die hieraan verbonden moeten worden. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat eiseres tijdens de zitting bij de rechtbank voldoende gelegenheid heeft gehad om haar standpunten toe te lichten. Het Uwv heeft de rechtbank daarom verzocht om het gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens eiseres kan het gebrek niet gepasseerd worden omdat partijen een verschil van mening hebben over de feiten die in deze zaak van belang zijn.
9. De rechtbank stelt vast dat geen hoorzitting heeft plaatsgevonden, terwijl dit wel had gemoeten. Het bestreden besluit is in strijd met de wet genomen. Er is sprake van een gebrek. De rechtbank overweegt dat eiseres de gelegenheid heeft gehad om in beroep haar standpunten naar voren te brengen en stukken te overleggen en dat zij ook van deze gelegenheid gebruik heeft gemaakt. Het is daarom niet aannemelijk dat eiseres is benadeeld door het overslaan van een hoorzitting in de bezwaarfase. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het gebrek aan het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 Awb te passeren.
Inhoudelijk
10. Eiseres voert verder aan dat zij in de bezwaarfase informatie van de huisarts van 26 oktober 2022 en 22 september 2022 heeft ingebracht en dat het Uwv deze informatie ten onrechte niet bij de besluitvorming heeft betrokken.
11. De rechtbank komt tot oordeel dat het Uwv de informatie van de huisarts van 26 oktober 2022 en 22 september 2022, die eiseres in de bezwaarfase heeft overgelegd, niet kenbaar heeft betrokken bij de medische beoordeling. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 oktober 2022 volgt wel dat de medische informatie aan het dossier is toegevoegd. In de inhoudelijke beoordeling wordt in dat rapport echter in het geheel niet ingegaan op de overgelegde medische informatie. Uit dat rapport wordt dus niet inzichtelijk dat de informatie is betrokken en welke invloed de informatie heeft op de medische beoordeling. Tijdens de zitting heeft het Uwv toegelicht dat de informatie wel is betrokken in het aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 juni 2023. De rechtbank overweegt dat dit rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is opgesteld als reactie op het door eiseres ingestelde beroep. Daaruit blijkt dus niet dat de overgelegde informatie ook in de bezwaarfase bij de beoordeling is betrokken.
12. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep is daarom gegrond. Er is sprake van een onzorgvuldige voorbereiding van het besluit zoals bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
13. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen wat de gevolgen zijn van de vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank overweegt als volgt. De informatie van de huisarts gaat over een bezoek aan de spoedeisende hulp in oktober 2021. De rechtbank overweegt dat oktober 2021 te ver af ligt van de data in geding in deze zaak en dat het Uwv deze informatie daarom terecht niet bij zijn beoordeling heeft betrokken. Het deel van de informatie van de huisarts dat gaat over de behandeling bij Altrecht gaat volgens de rechtbank wel over de periode 22 februari 2021 en 26 maart 2021. Volgens de rechtbank is deze informatie al door de primaire arts het rapport van 23 juli 2021 meegenomen. De informatie van de huisarts bevat op dit punt geen nieuwe medische feiten. Gelet op het voorgaande heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het aanvullend rapport van 30 juni 2023 terecht overwogen dat de door eiseres in bezwaar ingebracht medische informatie niet tot een andere uitkomst leidt. De rechtbank laat daarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
14. Eiseres heeft in haar beroepschrift verder aangevoerd dat sprake is van een motiveringsgebrek omdat het rapport van 27 oktober 2022, dat onderdeel uitmaakt van het besteden besluit, onvoldoende gemotiveerd is. Tijdens de zitting heeft eiseres de schriftelijke gronden die gaan over het motiveringsgebrek opnieuw geformuleerd.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 27 februari 2023;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 50,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.674,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. R. van Manen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 7:3 en 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:581.
Artikel 3:2 Awb.
Dit kan met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, Awb.
Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht