Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-09-20
ECLI:NL:RBMNE:2023:5210
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,900 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 10307671 UC EXPL 23-716 SGK/44740
Vonnis van 20 september 2023
inzake
De vennootschap naar Italiaans recht [eiseres] S.R.L.,
gevestigd in [vestigingsplaats] , Italië,
verder ook te noemen: [eiseres] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij ij reconventie,
gemachtigde: mr. I.A. van Rooij,
tegen:
[gedaagde] h.o.d.n. [handeslnaam],
wonend in [woonplaats] ,
verder ook te noemen: [gedaagde] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. Y. Abdi.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Op 17 januari 2023 heeft [eiseres] [gedaagde] gedagvaard. Deze dagvaarding bevatte een omissie, die [eiseres] bij herstelexploot van 24 januari 2023 heeft hersteld.
1.2.
Op 28 maart 2023 heeft [gedaagde] schriftelijk op de dagvaarding gereageerd. Daarbij heeft [gedaagde] een incidentele conclusie tot onbevoegdheid genomen en een (voorwaardelijke) eis in reconventie ingediend.
1.3.
Op 27 april 2023 heeft [eiseres] schriftelijk gereageerd op de incidentele conclusie tot onbevoegdheid.
1.4.
Bij vonnis van 17 mei 2023 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de Nederlandse rechter, meer specifiek de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, op grond van internationale regels van procesrecht bevoegd is om van het geschil tussen partijen kennis te nemen. De kantonrechter heeft zodoende de incidentele vordering afgewezen en [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op de rol van 31 mei 2023 te reageren op de (voorwaardelijke) eis in reconventie.
1.5.
Op 25 juli 2023 heeft [eiseres] schriftelijk gereageerd op de (voorwaardelijke) eis in reconventie.
1.6.
Op 8 augustus 2023 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig gemachtigde mr. I.A. van Rooij namens [eiseres] en [gedaagde] samen met zijn gemachtigde mr. Y. Abdi. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling.
1.7.
De kantonrechter heeft bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.
2Waar deze zaak over gaat
2.1.
[eiseres] stelt dat tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan zij op 7 mei 2021 appels aan [gedaagde] heeft geleverd, totaal 20.280 kilo. [eiseres] heeft daarvoor een factuur opgesteld ter hoogte van € 21.294,00. Na klachten van [gedaagde] is op 21 mei 2021 een creditnota opgesteld ter hoogte van € 300,00, zodat er nog een te betalen bedrag resteert van € 20.994,00. [gedaagde] heeft op de factuur € 4.000,00 betaald, maar het resterende bedrag heeft [gedaagde] ondanks aanmaningen tot op heden niet betaald.
2.2.
[eiseres] vordert in conventie dat [gedaagde] wordt veroordeeld om aan haar te betalen het nog openstaande factuurbedrag van € 19.994,00, € 2.668,36 aan rente berekend tot en met 6 januari 2023 en € 984,94 aan buitengerechtelijke invorderingskosten. Daarnaast vordert zij dat [gedaagde] wordt veroordeeld om aan haar te betalen de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW vanaf 7 januari 2023 tot aan de dag van voldoening dan wel de wettelijke handelsrente naar Italiaans recht vanaf 21 mei 2021 tot aan de dag van voldoening over het bedrag ter hoogte van € 16.994,00, alles met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
[eiseres] stelt dat op de tussen partijen tot stand gekomen koopovereenkomst het Weens Koopverdrag van toepassing is. Voor zover bepaalde geschilpunten niet aan de hand van dit verdrag kunnen worden beoordeeld, wordt de overeenkomst beheerst naar Italiaans recht.
2.3.
[gedaagde] heeft verweer gevoerd en een (voorwaardelijke) eis in reconventie ingediend. [gedaagde] betwist dat tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen voor de geleverde lading appels en hij betwist dan ook dat het Weens Koopverdrag van toepassing is voor de beoordeling van het tussen partijen ontstane geschil.
[gedaagde] heeft de appels niet besteld en hij wil dat [eiseres] de kosten die hij heeft gemaakt voor de opslag en verwerking van de appels aan hem vergoedt. [gedaagde] vordert daarom in reconventie dat voor recht wordt verklaard dat [eiseres] de kosten dient te vergoeden die [gedaagde] heeft gemaakt met betrekking tot de opslag en verwerking van de appels, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
Beoordeling
3.1.
De kantonrechter zal de vordering van [eiseres] in conventie, behoudens de gevorderde buitengerechtelijke invorderingskosten, toewijzen en de vordering van [gedaagde] in reconventie volledig afwijzen. Hierna wordt dit oordeel van de kantonrechter toegelicht.
Weens Koopverdrag is van toepassing
3.2.
Geschil
Er is een overeenkomst tot stand gekomen
3.3.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiseres] voldoende onderbouwd dat op 30 april 2021 tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen voor de op 5 mei 2021 geleverde 20.280 kilo appels. [gedaagde] heeft dit vervolgens onvoldoende gemotiveerd weersproken. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.
3.4.
Uit het door [eiseres] overgelegde WhatsApp-gesprek volgt dat [gedaagde] , in de periode van 15 april 2021 tot 27 april 2021, contact heeft gehad met de tussenpersoon van [eiseres] , over de koop van appels. Vervolgens is op 27 april 2021 een Italiaans geschreven e-mail afkomstig van het e-mailadres “ [e-mailadres] ” gestuurd naar de tussenpersoon waarin diverse “ [.] ” appels worden besteld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] erkend dat dit zijn e-mailadres is. Op 30 april 2021 is door de tussenpersoon een bevestiging van deze bestelling gestuurd naar [e-mailadres] met “The date of loading will be on May 5th and will arrive on May 7th” en bijgevoegd een orderbevestiging waaruit volgt dat er 1.560 ‘packs’ appels zijn besteld. Vervolgens is op 5 mei 2021 20.280 kilo appels geleverd op het vestigingsadres van (de eenmanszaak van) [gedaagde] .
3.5.
[gedaagde] heeft niet (gemotiveerd) betwist dat hij voornoemde e-mail van 27 april 2021 heeft gestuurd, maar de kantonrechter begrijpt dat hij nooit deze hoeveelheid appels heeft willen kopen. Volgens [gedaagde] wilde hij aanvankelijk wel appels kopen, maar maximaal 3 of 4 pallets (1.500 á 2.000 kilo) en onder de voorwaarde dat de appels geleverd zouden worden voor het begin van de Ramadanmaand in 2021 (12 april 2021). [gedaagde] heeft deze stelling echter op geen enkele wijze onderbouwd en is ook niet aannemelijk. Zoals hiervoor overwogen heeft [gedaagde] appels besteld op 27 april 2021 en op dat moment was de Ramadanmaand al gaande. Bovendien zou het voor de hand liggen dat, wanneer [gedaagde] de geleverde appels niet heeft willen bestellen, hij dit direct kenbaar zou maken op het moment dat de appels aan hem werden geleverd. Het staat echter vast dat hij zonder enig voorbehoud alle geleverde appels in ontvangst heeft genomen. [gedaagde] heeft vervolgens op 8 mei 2021 wel geklaagd over een probleem met de appelkisten, , maar nergens volgt uit dat [gedaagde] bij de levering of kort daarna heeft laten weten dat hij het niet eens is met de hoeveelheid geleverde appels, ook niet na ontvangst van de naar aanleiding van zijn klacht opgestelde creditfactuur. [gedaagde] stelt weliswaar dat hij op het moment dat de appels werden geleverd de tussenpersoon heeft gebeld met de mededeling dat hij deze hoeveelheid appels niet heeft besteld en hij vervolgens op advies van de tussenpersoon de appels – als een soort bewaarnemer – heeft opgeslagen en is gaan verkopen omdat de appels anders zouden gaan rotten, maar dit wordt door [eiseres] betwist en is door [gedaagde] op geen enkele wijze onderbouwd zodat dit niet kan worden vastgesteld. Vaststaat dat [gedaagde] de geleverde appels allemaal, zonder enige voorbehoud, heeft opgeslagen en vervolgens een deel van de appels heeft verkocht. Ook staat vast dat [gedaagde] op 10 juni 2021 € 3.000,00 en op 30 juni 2021 € 1.000,00 naar [eiseres] heeft overgemaakt met als omschrijving het kenmerk van de factuur die [eiseres] heeft opgesteld voor de 20.280 kilo geleverde appels. Dit leidt ertoe dat [gedaagde] zijn verweer dat hij de geleverde appels niet heeft besteld althans niet heeft willen bestellen onvoldoende heeft onderbouwd.
3.6.
Het voorgaande leidt de kantonrechter tot de conclusie dat tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen voor de op 5 mei 2021 geleverde 20.280 kilo appels. Dit betekent dat [gedaagde] de nog openstaande factuur moet betalen. [gedaagde] heeft de hoogte van de factuur – na vermindering met de creditnota – niet betwist zodat de kantonrechter hem zal veroordelen tot betaling van € 19.994,00.
Wettelijke handelsrente
3.7.
[eiseres] vordert wettelijke handelsrente over het openstaande factuurbedrag vanaf de vervaldatum van de factuur tot aan de dag van voldoening. Op grond van artikel 78 van het Weens Koopverdrag heeft [eiseres] recht op rente over het nog openstaande factuurbedrag, maar het Weens Koopverdrag bepaalt niets over de hoogte van de verschuldigde rente.
Onderwerpen die niet in het Weens Koopverdrag zijn geregeld worden beheerst door het op grond van het internationaal privaatrecht toepasselijke nationale recht.
Omdat het geschil is gebaseerd op een na 17 december 2009 gesloten handelsovereenkomst, moet het toepasselijke recht aan de hand Rome I worden bepaald. Artikel 3 van Rome I bepaalt dat een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen. In dit geval hebben partijen geen rechtskeuze uitgebracht. Artikel 4 lid 1 sub a Rome I bepaalt dat in dat geval de overeenkomst beheerst wordt door het recht van het land waar de verkoper zijn gewone verblijfplaats heeft, tenzij uit alle omstandigheden blijkt dat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander land. [eiseres] heeft onweersproken gesteld dat zij op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst in Italië was gevestigd. Gesteld noch gebleken is dat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander land dan Italië, zodat Italiaans recht van toepassing is als het Weens Koopverdrag geen uitsluitsel biedt.
Dit leidt ertoe dat de kantonrechter [gedaagde] zal veroordelen tot het betalen van de wettelijke handelsrente naar Italiaans recht, zoals door [eiseres] subsidiair gevorderd, over het bedrag ter hoogte van € 16.994,00 vanaf 21 mei 2021 (het moment dat [gedaagde] in verzuim verkeert met de betaling van de factuur) tot aan de dag van voldoening.
Buitengerechtelijke kosten
3.8.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke invorderingskosten.
Op grond van artikel 74 Weens Koopverdrag komen gemaakte buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking, maar het Weens Koopverdrag bepaalt niets over de samenstelling en hoogte van de te vergoeden kosten. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten dienen daarom – evenals de rente –
met toepassing van de in Italië geldende wettelijke bepalingen te worden beoordeeld. [eiseres] heeft haar vordering op dit punt echter – ten onrechte – gestoeld op het forfaitaire systeem dat op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten naar Nederlands recht geldt. Iedere toelichting waaruit de verschuldigdheid van dit specifieke bedrag naar Italiaans recht volgt, ontbreekt, evenals een concrete begroting van deze schade. De kantonrechter zal daarom de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke invorderingskosten afwijzen.
De reconventie
3.9.
De vordering van [gedaagde] in reconventie voor de kosten die [gedaagde] stelt te hebben gemaakt voor opslag en verwerking, zal worden afgewezen. De grondslag voor deze vordering ontbreekt, omdat in conventie is geoordeeld dat [eiseres] de appels heeft geleverd op grond van de tussen partijen tot stand gekomen koopovereenkomst, zodat er geen sprake is van onrechtmatige daad. Waarom [eiseres] deze kosten zou moeten dragen in het geval er wel een koopovereenkomst is, heeft [gedaagde] niet onderbouwd.
Proceskosten
3.10.
Zowel in conventie als in reconventie zal [gedaagde] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Dit betekent dat hij zijn eigen proceskosten moet dragen en de proceskosten van [eiseres] aan haarmoet betalen
.
Dictum
De kantonrechter:
In conventie
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 16.994,00 vermeerderd met de wettelijke handelsrente naar Italiaans recht vanaf 21 mei 2021 tot de voldoening;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 2.311,98, waarin begrepen € 792,00 aan salaris gemachtigde;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] , in de kosten die ontstaan na dit vonnis, begroot op:
€ 124,00 aan salaris gemachtigde, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na die aanschrijving tot de dag van betaling; en
de explootkosten van betekening van dit vonnis, als er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de dag van betaling;
In reconventie
4.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 199,00;
In conventie en in reconventie:
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 september 2023.
Verdrag der Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken.
Verordening (EG) nr. 593/2008 van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 10307671 UC EXPL 23-716 SGK/44740
Vonnis van 20 september 2023
inzake
De vennootschap naar Italiaans recht [eiseres] S.R.L.,
gevestigd in [vestigingsplaats] , Italië,
verder ook te noemen: [eiseres] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij ij reconventie,
gemachtigde: mr. I.A. van Rooij,
tegen:
[gedaagde] h.o.d.n. [handeslnaam],
wonend in [woonplaats] ,
verder ook te noemen: [gedaagde] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. Y. Abdi.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Op 17 januari 2023 heeft [eiseres] [gedaagde] gedagvaard. Deze dagvaarding bevatte een omissie, die [eiseres] bij herstelexploot van 24 januari 2023 heeft hersteld.
1.2.
Op 28 maart 2023 heeft [gedaagde] schriftelijk op de dagvaarding gereageerd. Daarbij heeft [gedaagde] een incidentele conclusie tot onbevoegdheid genomen en een (voorwaardelijke) eis in reconventie ingediend.
1.3.
Op 27 april 2023 heeft [eiseres] schriftelijk gereageerd op de incidentele conclusie tot onbevoegdheid.
1.4.
Bij vonnis van 17 mei 2023 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de Nederlandse rechter, meer specifiek de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, op grond van internationale regels van procesrecht bevoegd is om van het geschil tussen partijen kennis te nemen. De kantonrechter heeft zodoende de incidentele vordering afgewezen en [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op de rol van 31 mei 2023 te reageren op de (voorwaardelijke) eis in reconventie.
1.5.
Op 25 juli 2023 heeft [eiseres] schriftelijk gereageerd op de (voorwaardelijke) eis in reconventie.
1.6.
Op 8 augustus 2023 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig gemachtigde mr. I.A. van Rooij namens [eiseres] en [gedaagde] samen met zijn gemachtigde mr. Y. Abdi. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling.
1.7.
De kantonrechter heeft bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.
2Waar deze zaak over gaat
2.1.
[eiseres] stelt dat tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan zij op 7 mei 2021 appels aan [gedaagde] heeft geleverd, totaal 20.280 kilo. [eiseres] heeft daarvoor een factuur opgesteld ter hoogte van € 21.294,00. Na klachten van [gedaagde] is op 21 mei 2021 een creditnota opgesteld ter hoogte van € 300,00, zodat er nog een te betalen bedrag resteert van € 20.994,00. [gedaagde] heeft op de factuur € 4.000,00 betaald, maar het resterende bedrag heeft [gedaagde] ondanks aanmaningen tot op heden niet betaald.
2.2.
[eiseres] vordert in conventie dat [gedaagde] wordt veroordeeld om aan haar te betalen het nog openstaande factuurbedrag van € 19.994,00, € 2.668,36 aan rente berekend tot en met 6 januari 2023 en € 984,94 aan buitengerechtelijke invorderingskosten. Daarnaast vordert zij dat [gedaagde] wordt veroordeeld om aan haar te betalen de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW vanaf 7 januari 2023 tot aan de dag van voldoening dan wel de wettelijke handelsrente naar Italiaans recht vanaf 21 mei 2021 tot aan de dag van voldoening over het bedrag ter hoogte van € 16.994,00, alles met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
[eiseres] stelt dat op de tussen partijen tot stand gekomen koopovereenkomst het Weens Koopverdrag van toepassing is. Voor zover bepaalde geschilpunten niet aan de hand van dit verdrag kunnen worden beoordeeld, wordt de overeenkomst beheerst naar Italiaans recht.
2.3.
[gedaagde] heeft verweer gevoerd en een (voorwaardelijke) eis in reconventie ingediend. [gedaagde] betwist dat tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen voor de geleverde lading appels en hij betwist dan ook dat het Weens Koopverdrag van toepassing is voor de beoordeling van het tussen partijen ontstane geschil.
[gedaagde] heeft de appels niet besteld en hij wil dat [eiseres] de kosten die hij heeft gemaakt voor de opslag en verwerking van de appels aan hem vergoedt. [gedaagde] vordert daarom in reconventie dat voor recht wordt verklaard dat [eiseres] de kosten dient te vergoeden die [gedaagde] heeft gemaakt met betrekking tot de opslag en verwerking van de appels, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
Beoordeling
3.1.
De kantonrechter zal de vordering van [eiseres] in conventie, behoudens de gevorderde buitengerechtelijke invorderingskosten, toewijzen en de vordering van [gedaagde] in reconventie volledig afwijzen. Hierna wordt dit oordeel van de kantonrechter toegelicht.
Weens Koopverdrag is van toepassing
3.2.
Geschil
Er is een overeenkomst tot stand gekomen
3.3.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiseres] voldoende onderbouwd dat op 30 april 2021 tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen voor de op 5 mei 2021 geleverde 20.280 kilo appels. [gedaagde] heeft dit vervolgens onvoldoende gemotiveerd weersproken. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.
3.4.
Uit het door [eiseres] overgelegde WhatsApp-gesprek volgt dat [gedaagde] , in de periode van 15 april 2021 tot 27 april 2021, contact heeft gehad met de tussenpersoon van [eiseres] , over de koop van appels. Vervolgens is op 27 april 2021 een Italiaans geschreven e-mail afkomstig van het e-mailadres “ [e-mailadres] ” gestuurd naar de tussenpersoon waarin diverse “ [.] ” appels worden besteld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] erkend dat dit zijn e-mailadres is. Op 30 april 2021 is door de tussenpersoon een bevestiging van deze bestelling gestuurd naar [e-mailadres] met “The date of loading will be on May 5th and will arrive on May 7th” en bijgevoegd een orderbevestiging waaruit volgt dat er 1.560 ‘packs’ appels zijn besteld. Vervolgens is op 5 mei 2021 20.280 kilo appels geleverd op het vestigingsadres van (de eenmanszaak van) [gedaagde] .
3.5.
[gedaagde] heeft niet (gemotiveerd) betwist dat hij voornoemde e-mail van 27 april 2021 heeft gestuurd, maar de kantonrechter begrijpt dat hij nooit deze hoeveelheid appels heeft willen kopen. Volgens [gedaagde] wilde hij aanvankelijk wel appels kopen, maar maximaal 3 of 4 pallets (1.500 á 2.000 kilo) en onder de voorwaarde dat de appels geleverd zouden worden voor het begin van de Ramadanmaand in 2021 (12 april 2021). [gedaagde] heeft deze stelling echter op geen enkele wijze onderbouwd en is ook niet aannemelijk. Zoals hiervoor overwogen heeft [gedaagde] appels besteld op 27 april 2021 en op dat moment was de Ramadanmaand al gaande. Bovendien zou het voor de hand liggen dat, wanneer [gedaagde] de geleverde appels niet heeft willen bestellen, hij dit direct kenbaar zou maken op het moment dat de appels aan hem werden geleverd. Het staat echter vast dat hij zonder enig voorbehoud alle geleverde appels in ontvangst heeft genomen. [gedaagde] heeft vervolgens op 8 mei 2021 wel geklaagd over een probleem met de appelkisten, , maar nergens volgt uit dat [gedaagde] bij de levering of kort daarna heeft laten weten dat hij het niet eens is met de hoeveelheid geleverde appels, ook niet na ontvangst van de naar aanleiding van zijn klacht opgestelde creditfactuur. [gedaagde] stelt weliswaar dat hij op het moment dat de appels werden geleverd de tussenpersoon heeft gebeld met de mededeling dat hij deze hoeveelheid appels niet heeft besteld en hij vervolgens op advies van de tussenpersoon de appels – als een soort bewaarnemer – heeft opgeslagen en is gaan verkopen omdat de appels anders zouden gaan rotten, maar dit wordt door [eiseres] betwist en is door [gedaagde] op geen enkele wijze onderbouwd zodat dit niet kan worden vastgesteld. Vaststaat dat [gedaagde] de geleverde appels allemaal, zonder enige voorbehoud, heeft opgeslagen en vervolgens een deel van de appels heeft verkocht. Ook staat vast dat [gedaagde] op 10 juni 2021 € 3.000,00 en op 30 juni 2021 € 1.000,00 naar [eiseres] heeft overgemaakt met als omschrijving het kenmerk van de factuur die [eiseres] heeft opgesteld voor de 20.280 kilo geleverde appels. Dit leidt ertoe dat [gedaagde] zijn verweer dat hij de geleverde appels niet heeft besteld althans niet heeft willen bestellen onvoldoende heeft onderbouwd.
3.6.
Het voorgaande leidt de kantonrechter tot de conclusie dat tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen voor de op 5 mei 2021 geleverde 20.280 kilo appels. Dit betekent dat [gedaagde] de nog openstaande factuur moet betalen. [gedaagde] heeft de hoogte van de factuur – na vermindering met de creditnota – niet betwist zodat de kantonrechter hem zal veroordelen tot betaling van € 19.994,00.
Wettelijke handelsrente
3.7.
[eiseres] vordert wettelijke handelsrente over het openstaande factuurbedrag vanaf de vervaldatum van de factuur tot aan de dag van voldoening. Op grond van artikel 78 van het Weens Koopverdrag heeft [eiseres] recht op rente over het nog openstaande factuurbedrag, maar het Weens Koopverdrag bepaalt niets over de hoogte van de verschuldigde rente.
Onderwerpen die niet in het Weens Koopverdrag zijn geregeld worden beheerst door het op grond van het internationaal privaatrecht toepasselijke nationale recht.
Omdat het geschil is gebaseerd op een na 17 december 2009 gesloten handelsovereenkomst, moet het toepasselijke recht aan de hand Rome I worden bepaald. Artikel 3 van Rome I bepaalt dat een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen. In dit geval hebben partijen geen rechtskeuze uitgebracht. Artikel 4 lid 1 sub a Rome I bepaalt dat in dat geval de overeenkomst beheerst wordt door het recht van het land waar de verkoper zijn gewone verblijfplaats heeft, tenzij uit alle omstandigheden blijkt dat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander land. [eiseres] heeft onweersproken gesteld dat zij op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst in Italië was gevestigd. Gesteld noch gebleken is dat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander land dan Italië, zodat Italiaans recht van toepassing is als het Weens Koopverdrag geen uitsluitsel biedt.
Dit leidt ertoe dat de kantonrechter [gedaagde] zal veroordelen tot het betalen van de wettelijke handelsrente naar Italiaans recht, zoals door [eiseres] subsidiair gevorderd, over het bedrag ter hoogte van € 16.994,00 vanaf 21 mei 2021 (het moment dat [gedaagde] in verzuim verkeert met de betaling van de factuur) tot aan de dag van voldoening.
Buitengerechtelijke kosten
3.8.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke invorderingskosten.
Op grond van artikel 74 Weens Koopverdrag komen gemaakte buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking, maar het Weens Koopverdrag bepaalt niets over de samenstelling en hoogte van de te vergoeden kosten. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten dienen daarom – evenals de rente –
met toepassing van de in Italië geldende wettelijke bepalingen te worden beoordeeld. [eiseres] heeft haar vordering op dit punt echter – ten onrechte – gestoeld op het forfaitaire systeem dat op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten naar Nederlands recht geldt. Iedere toelichting waaruit de verschuldigdheid van dit specifieke bedrag naar Italiaans recht volgt, ontbreekt, evenals een concrete begroting van deze schade. De kantonrechter zal daarom de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke invorderingskosten afwijzen.
De reconventie
3.9.
De vordering van [gedaagde] in reconventie voor de kosten die [gedaagde] stelt te hebben gemaakt voor opslag en verwerking, zal worden afgewezen. De grondslag voor deze vordering ontbreekt, omdat in conventie is geoordeeld dat [eiseres] de appels heeft geleverd op grond van de tussen partijen tot stand gekomen koopovereenkomst, zodat er geen sprake is van onrechtmatige daad. Waarom [eiseres] deze kosten zou moeten dragen in het geval er wel een koopovereenkomst is, heeft [gedaagde] niet onderbouwd.
Proceskosten
3.10.
Zowel in conventie als in reconventie zal [gedaagde] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Dit betekent dat hij zijn eigen proceskosten moet dragen en de proceskosten van [eiseres] aan haarmoet betalen
.
Dictum
De kantonrechter:
In conventie
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 16.994,00 vermeerderd met de wettelijke handelsrente naar Italiaans recht vanaf 21 mei 2021 tot de voldoening;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 2.311,98, waarin begrepen € 792,00 aan salaris gemachtigde;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] , in de kosten die ontstaan na dit vonnis, begroot op:
€ 124,00 aan salaris gemachtigde, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na die aanschrijving tot de dag van betaling; en
de explootkosten van betekening van dit vonnis, als er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de dag van betaling;
In reconventie
4.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 199,00;
In conventie en in reconventie:
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 september 2023.
Verdrag der Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken.
Verordening (EG) nr. 593/2008 van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst.