Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-08-08
ECLI:NL:RBMNE:2023:5197
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,851 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/3061
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 augustus 2023 in de zaak tussen
[moeder] als bewindvoerder van [eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder,
(gemachtigde: mr. E. Witte).
Inleiding
Eiser werd 18 jaar op [geboortedatum] 2021. Eiser is ernstig verstandelijk gehandicapt (periventriculaire leukomalacie) en heeft een cognitieve ontwikkelingsachterstand. Eiser heeft nooit op school gezeten. Hij woont sinds zijn zesde jaar in de instelling [instelling] en is volledig afhankelijk als het gaat om de adl (algemene dagelijkse levensverrichtingen) en zelfverzorging. Op 27 januari 2022 heeft het Uwv een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ontvangen.
Met het primaire besluit van 9 maart 2022 heeft het Uwv aan eiser een Wajong-uitkering toegekend per 27 januari 2022.
Eiser is het niet eens met de ingangsdatum van de Wajong-uitkering en heeft bezwaar gemaakt. In het bestreden besluit van 18 mei 2022 heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 29 november 2022 op een online zitting behandeld. Namens eiser was daarbij zijn moeder en tevens zijn bewindvoerder, [moeder] , aanwezig. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek is op de zitting gesloten.
Naar aanleiding van de beroepsgronden en wat op de zitting is besproken heeft de rechtbank aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen om partijen in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv op 3 januari 2023 een aanvullende reactie ingebracht. Eiser heeft nieuwe stukken ingebracht en een reactie gegeven op de aanvullende reactie van het Uwv. Nadat geen van de partijen heeft aangegeven een nadere zitting te wensen, heeft de rechtbank het onderzoek op 24 mei 2023 gesloten. Vervolgens is de zaak in verband met verhindering van de behandelende rechter overgedragen aan een andere rechter. Partijen hebben desgevraagd niet verzocht om een heropening van het onderzoek op de zitting.
Waar gaat deze zaak over?
1. Deze zaak gaat over de ingangsdatum van de aan eiser toegekende Wajong-uitkering. Partijen verschillen van mening over de vraag of het mogelijk is om de Wajong-uitkering eerder in te laten gaan dan de aanvraagdatum. Volgens het Uwv is dit wettelijk niet mogelijk, omdat op grond van artikel 1a:11, tweede lid, van de Wajong het recht op uitkering niet eerder kan ontstaan dan op de dag van de aanvraag. Omdat het Uwv de aanvraag op 27 januari 2022 heeft ontvangen, krijgt eiser met ingang van deze datum een Wajong-uitkering.
2. Eiser is het hier niet mee eens en vindt het onredelijk om vast te houden aan de wettelijke regels. Volgens eiser is er sprake van een situatie van overmacht die aanleiding had moeten geven om de Wajong-uitkering eerder dan de aanvraagdatum toe te kennen.
3. De rechtbank beoordeelt of het Uwv aanleiding had moeten zien om de Wajong-uitkering vanaf een eerdere ingangsdatum toe te kennen. Zij doet dat aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden.
Wat is het beoordelingskader?
4. Artikel 1a:11, eerste lid, van de Wajong bepaalt dat het Uwv op aanvraag vaststelt of er recht op een Wajong-uitkering bestaat. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het recht op een Wajong-uitkering ontstaat op de dag waarop de aanvraag werd ingediend, met dien verstande dat dit recht niet eerder kan ontstaan dan de dag waarop de betrokkene 18 jaar wordt. Op grond van het vierde lid van dit artikel is het Uwv bevoegd het recht op een Wajong-uitkering ambtshalve toe te kennen als de toepassing van het eerste lid zou leiden tot kennelijke hardheid.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Eiser stelt allereerst dat de Wajong-aanvraag eerder is ingediend, namelijk op 18 oktober 2021. Dit was de datum dat eiser het rapport van [instelling] bij het Uwv heeft ingebracht. De Wajong-aanvraag is op diezelfde dag ingediend.
6. Het Uwv stelt dat de aanvraag op 27 januari 2022 is ontvangen en in het systeem geen eerdere aanvraag bekend is. Op de zitting is namens eiser toegelicht dat de eerdere aanvraag niet aangetekend is verzonden. Er zijn verder geen gegevens aanwezig waaruit blijkt dat eerder een aanvraag is gedaan dan de datum waar het Uwv vanuit is gegaan. De rechtbank ziet dan ook geen reden om uit te gaan van een eerdere aanvraagdatum dan 27 januari 2022.
7. Eiser stelt verder dat hij vanwege zijn motorische en cognitieve beperkingen waarbij hij cognitief op het niveau van 11 maanden functioneert, al vanaf zijn 18e jaar geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar het hiervoor genoemd rapport van [instelling]. Eiser kon de aanvraag niet eerder indienen, gezien de omstandigheden dat zijn ouders in Suriname wonen, zij onvoldoende op de hoogte zijn van wet- en regelgeving in Nederland en de coronapandemie zorginstellingen zoals [instelling] zwaar op de proef heeft gesteld. Maandenlang was bezoek niet mogelijk en was er minimale communicatie tussen eiser en zijn ouders. De oom van eiser heeft in 2020 de aanvraag administratief voorbereid, maar in januari 2021 is hij overleden. Hij was in Nederland belast met de feitelijke zorg voor eiser in afwezigheid van de ouders. De moeder van eiser heeft het vervolgens opgepakt en heeft toen de aanvraag ingediend. Deze situatie doet eiser denken aan de Toeslagenaffaire. Eiser had verwacht dat de overheid niet weer snoeihard zou oordelen, maar een gedegen beslissing zou nemen op basis van zijn persoonlijke omstandigheden. Verder wijst eiser op de financiële impact van het besluit van het Uwv om de Wajong-uitkering niet eerder in te laten gaan. Eiser heeft ter onderbouwing hiervan voor en na de heropening van het onderzoek verschillende (openstaande) rekeningen ingebracht waaronder de kosten die verband houden met het verblijf in [instelling]. Het is volgens eiser maar de vraag of hij bij de instelling kan blijven als de kosten niet worden betaald.
8. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser vanaf zijn 18e jaar duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat uit de jurisprudentie en de Memorie van Toelichting volgt dat artikel 1a:11, vierde lid, van de Wajong enkel een rol speelt in die gevallen waarin de betrokkene géén aanvraag heeft ingediend en dat is hier niet het geval. In deze zaak is de familie van eiser betrokken geweest bij de voorbereiding van de Wajong-aanvraag en uiteindelijk heeft de moeder van eiser de aanvraag namens hem ingediend. Volgens het Uwv is daarom geen sprake van kennelijke hardheid.
9. Gezien de bewoording van artikel 1a:11, eerste en tweede lid, van de Wajong wordt op basis van een aanvraag vastgesteld of eiser recht heeft op een Wajong-uitkering. De ingangsdatum van de uitkering is daarbij het moment van de aanvraag. Wanneer het vierde lid van toepassing is, kan de Wajong-uitkering echter in uitzonderlijke gevallen met ingang van een andere datum worden toegekend. Uit de wetgeschiedenis volgt dat dit kan op het moment dat er geen aanvraag is ingediend of wanneer er sprake is van een te laat ingediende aanvraag. De vraag is of de hardheidsclausule van het vierde lid van artikel 1a:11 van de Wajong ook kan worden toegepast in de situatie zoals in deze zaak dat een aanvraag is gedaan nadat het recht op een Wajong-uitkering is ontstaan, te weten de 18e verjaardag van eiser.
Conclusie
12. De rechtbank concludeert dat het Uwv ten onrechte heeft beslist dat de Wajong-uitkering van eiser niet eerder kan ingaan dan op 27 januari 2022. Dit betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de ingangsdatum van de Wajong-uitkering.
13. Zoals hiervoor overwogen is tussen partijen niet in geschil dat eiser vanaf zijn 18e jaar duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is. Eiser heeft dus recht op een Wajong-uitkering vanaf zijn 18e verjaardag, namelijk op [geboortedatum] 2021. De rechtbank ziet verder geen belemmeringen om de uitbetaling van de Wajong-uitkering vanaf deze datum niet toe te kennen.
14. De rechtbank kent de Wajong-uitkering per [geboortedatum] 2021 niet zelf toe aan eiser, omdat zij niet over de benodigde gegevens beschikt om de hoogte van de uitkering te berekenen. Het Uwv zal een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van eiser. Dat moet het Uwv doen met inachtneming van wat de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen en geconcludeerd. Dat betekent dat het Uwv daarin het bestreden besluit herziet door eiser met ingang van [geboortedatum] 2021 alsnog in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering. De rechtbank geeft het Uwv hiervoor een termijn van zes weken.
15. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 18 mei 2022, voor zover dat ziet op de ingangsdatum van de toegekende Wajong-uitkering;
- draagt het Uwv op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 50,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Azmi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2023.
griffier
rechter
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RBGEL:2019:2186, r.o. 6.3, ECLI:NL:RBMNL:2022:95, r.o. 4 e.v., ECLI:NL:RBDHA:2022:4022, r.o. 5.2 e.v.
Kamerstukken II 2011-2012, 33161, nr. 3, p. 96.
ECLI:NL:RBNNE:2022:2698.