Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-09-14
ECLI:NL:RBMNE:2023:5047
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,292 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/4380
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. Y. Wong),
en
De Korpschef van de politie Regio Utrecht, District Flevoland
(gemachtigde: mr. M.J. Telderman-Veltman).
Zitting
1. De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de korpschef van 25 juli 2022 op zitting behandeld op 7 maart 2023 en op 14 september 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Ook is verschenen [vriendin] , vriendin van eiser.
2. Het onderzoek van de zitting van 7 maart 2023 heeft de rechtbank geschorst voor het overleggen van stukken. Na afloop van de behandeling van de zaak op de zitting van 14 september 2023 heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna onder de beoordeling door de rechtbank.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Inleiding
3. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking door de korpschef van de toestemming voor eiser om beveiligingswerkzaamheden te verrichten voor drie beveiligingsbedrijven, omdat eiser niet langer voldoet aan de eisen die aan de toestemming verbonden zijn. De korpschef acht eiser niet langer voldoende betrouwbaar om werkzaamheden te verrichten in de beveiligingsbranche. Er bestond ten tijde van het nemen van het besluit een serieuze verdenking jegens eiser, namelijk het bedreigen van politieambtenaren. De intrekking is volgens de korpschef passend en noodzakelijk, zodat er geen strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De korpschef heeft de toestemming daarom ingetrokken. Dit betekent dat eiser geen beveiligingswerkzaamheden meer mag verrichten. Eiser is inmiddels door de strafrechter veroordeeld voor bedreiging.
4. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen de intrekking van de toestemming om eiser beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank heeft ook acht geslagen op het verweerschrift en de nader ingediende stukken.
Beoordeling
5. Het gaat om intrekking van de toestemming die ten behoeve van eiser aan drie beveiligingsbedrijven is verleend om beveiligingswerkzaamheden te verrichten. Op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) kan deze toestemming worden ingetrokken.
6. De korpschef komt beoordelingsruimte toe bij de beoordeling of eiser voldoende betrouwbaar is. Aan medewerkers in de beveiligingsbranche worden, gelet op de aard van deze branche, hogere eisen gesteld dan aan medewerkers in willekeurige andere betrekkingen. Dit betekent dat de korpschef als beoordelingsmaatstaf mag hanteren dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven moeten zijn. Dit is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
7. Uit paragraaf 3.3, ad b, van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 (de Beleidsregels) volgt dat tegen eiser opgemaakte processen-verbaal (pv’s) ertoe kunnen leiden dat betrokkene onvoldoende betrouwbaar wordt geacht. Een bestuursorgaan mag in beginsel uitgaan van de juistheid van de pv’s in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend pv, voor zover deze bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller inhouden. Dat is in dit geval aan de orde. Als die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. De enkele ontkenning is onvoldoende om de bevindingen te weerleggen. Eiser heeft gezegd dat hij niet de intentie had om te bedreigen, maar het gaat erom hoe zijn gedraging bij de politieagenten en anderen kan zijn overgekomen (uiterlijke verschijningsvorm). Het vertrouwen is weg. Er kan niet meer worden uitgegaan van de betrouwbaarheid van eiser. In dat verband is ook van belang dat er inmiddels een veroordeling ligt voor bedreiging. De korpschef mocht zich baseren op de pv’s zoals die er liggen. De rechtbank gaat uit van de juistheid van de inhoud van de pv’s. Deze bieden voldoende grondslag voor het standpunt dat de betrouwbaarheid en integriteit niet boven iedere twijfel verheven is. Dit bekent dat de korpschef bevoegd was om de toestemming voor de verschillende bedrijven in te trekken.
8. In de omstandigheid dat geen sprake is van recidive als ook in de inhoud van het rapport van De Waag heeft de korpschef geen aanleiding hoeven zien om geen of een andere maatregel op te leggen. De overwegingen die verweerder in reactie op het rapport van De Waag heeft gemaakt, ziet de rechtbank ook. Het gaat om een summier rapport en daarin zijn onvoldoende aanknopingspunten te vinden om over de betrouwbaarheid van eiser tot een ander oordeel te komen. Indien eiser vindt dat er wel stukken zijn op basis waarvan hij aannemelijk kan maken dat hij aan de voorwaarden van betrouwbaarheid voldoet, of als eiser zich verder onder behandeling wil laten stellen, dan kan hij dat in het kader van een nieuwe aanvraag naar voren brengen.
Noodzaak en passendheid van de maatregel
9. Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de korpschef van de bevoegdheid tot intrekking van de toestemmingen gebruik mocht maken. Daarbij speelt noodzakelijkheid van de maatregel een rol en de vraag of een minder vergaande maatregel mogelijk is. De korpschef heeft hiernaar gekeken en ziet geen mogelijkheid voor een andere maatregel. Gelet op ernst van de gedraging is intrekking het enige geschikte middel volgens de korpschef. Er bestaat geen vertrouwen meer van de kant van de politie waarmee eiser moet samenwerken. Uitgaande van de juistheid van de processen-verbaal kan de rechtbank het standpunt van verweerder over de noodzakelijkheid en passendheid van de maatregel volgen.
Belangenafweging
10. De korpschef heeft anders dan zoals gesteld in de gronden van beroep een belangenafweging gemaakt. De rechtbank ziet niet dat eiser andere belangen naar voren heeft gebracht dan die door de korpschef zijn meegewogen. De rechtbank verwijst daarbij naar het bestreden besluit. Ook vindt de rechtbank niet dat de belangenafweging anders had moeten uitvallen. De rechtbank is zich ervan bewust dat de intrekking van de toestemming grote consequenties heeft voor eiser, zoals de financiële gevolgen en de impact die dat heeft op het gezin van eiser. De genoemde omstandigheden zijn echter niet dusdanig bijzonder dat deze opwegen tegen het belang van het in stand houden van een betrouwbare en integere beveiligingsbranche. Deze moeten boven iedere twijfel verheven zijn. Dit heeft de korpschef zwaar mogen meewegen. Dit betekent dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de korpschef de toestemming voor eiser om beveiligingswerkzaamheden te verrichten voor drie beveiligingsbedrijven heeft mogen intrekken. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
12. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2023 door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
vergelijk onder meer de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:355 en van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:564