Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-05-24
ECLI:NL:RBMNE:2023:4668
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,133 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/381
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 mei 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. D. Quakernaat),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen
(gemachtigde: R. Schoots).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van het college om de gehandicaptenparkeerplaats ten behoeve van eiser nabij de [adres] in [woonplaats] op te heffen.
Met het bestreden besluit van 6 december 2022 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven. Eiser heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 15 mei 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
Inleiding
1. Eiser kan sinds 23 maart 2011 gebruik maken van een gehandicaptenparkeerplaats. Eerst bij zijn vorige woning aan de [straat 1] en daarna bij zijn woning aan de [straat 2] .
Bestreden besluit
2. Het college is overgegaan tot het opheffen van de gehandicaptenparkeerplaats nabij eisers woning aan de [straat 2] omdat is geconstateerd dat eiser beschikt over eigen parkeerplaats onder het appartementencomplex waar hij woont. Daardoor voldoet eiser niet meer aan de criteria van om in aanmerking te komen voor een gehandicaptenparkeerplaats. Uit artikel 4.2 van het Gehandicaptenparkeerplaatsenbeleid gemeente De Ronde Venen 2009 (het beleid) volgt namelijk dat de aanvraag tot een gehandicaptenparkeerplaats in de openbare ruimte wordt afgewezen als de aanvrager de mogelijkheid heeft om op eigen terrein te parkeren. Dat de eigen parkeerplaats niet voldoet aan de CROW-richtlijnen voor een gehandicaptenparkeerplaats, is volgens het college geen reden om niet tot opheffing over te gaan. De norm uit de CROW-richtlijnen is niet dwingend voorgeschreven en uit onderzoek dat het college tussen 21 april 2021 en 7 maart 2022 heeft uitgevoerd, is gebleken dat eiser gebruik maakt van de parkeerplaats op eigen terrein. Daaruit leidt het college af dat het voor eiser mogelijk is om van de eigen parkeerplaats gebruik te maken.
Standpunt van eiser
3. Eiser is het niet eens met de opheffing van de gehandicaptenparkeerplaats en voert aan dat de eigen parkeerplaats geen enkele manier voor hem geschikt is om te kunnen parkeren. Eiser kan alleen gebruik maken van zijn auto als hij voldoende ruimte heeft om in en uit te stappen. Voorgenoemde parkeerplaats voldoet ook niet aan de CROW-richtlijnen voor een gehandicaptenparkeerplaats. Volgens eiser heeft het college onvoldoende onderzoek gedaan. Daarbij wijst eiser ook naar de conclusie van de bezwaarschriftencommissie. Verder legt eiser uit dat het college weliswaar heeft geconstateerd dat de eigen parkeerplaats werd gebruikt, maar legt uit dat zijn vrouw ook gebruik maakt van de auto en daar weleens parkeert. Voor eiser is de parkeerplaats veel te klein. Tot slot meent eiser dat het college in strijd heeft gehandeld met artikel 4:84 van de Awb door niet specifiek te kijken of er bijzondere omstandigheden aan de orde zijn die maken dat er gevolgen optreden die onevenredig zijn in verhouding tot de beleidsregel te dienen doelen.
Oordeel van de rechtbank
4. De vraag is of de eigen parkeerplaats van eiser gelet op zijn beperkingen voor hem bruikbaar is. Omdat het college een belastend besluit heeft genomen door de eerder aan eiser toegekende gehandicaptenparkeerplaats op te heffen, ligt de bewijslast ter zake bij het college. In de periode tussen 21 april 2021 en 7 maart 2022 is zes keer geconstateerd dat de auto van eiser geparkeerd stond op de eigen parkeerplaats. Op basis hiervan heeft het college de eigen parkeerplaats als bruikbaar aangemerkt.
5. Eiser heeft ontkend dat hij (zelfstandig) gebruik maakt van de eigen parkeerplaats. Eiser heeft verklaart dat zijn vrouw ook gebruik maakt van de auto en zij deze auto onder bepaalde omstandigheden op de eigen parkeerplaats parkeert. Het college heeft op deze verklaring niet gereageerd en uit de overige stukken kan niet worden opgemaakt dat voren vermelde verklaringen van eiser over het gebruik van de eigen parkeerplaats niet zouden kloppen. De resultaten van het in de periode tussen 21 april en 7 maart 2022 verrichte onderzoek is daarom onvoldoende voor de conclusie dat de gehandicaptenparkeerplaats voor eiser bruikbaar is.
6. Indien de parkeerplaats had voldaan aan de afmetingen vermeld in de CROW-richtlijn dan had dit reden kunnen zijn om de parkeerplaats als bruikbaar aan te merken. Nu dit niet het geval is, betekent dit op zich zelf niet dat de parkeerplaats niet bruikbaar is. In zoverre kan de rechtbank verweerder volgen. Er is echter wel nader onderzoek nodig om over de bruikbaarheid van de parkeerplaats een oordeel te kunnen geven. Uitgaande van de afmetingen van het parkeervak, moet bekeken worden of er voldoende vrije uit- en instapruimte aanwezig is en of de opzet van het parkeerterrein in zijn geheel de eigen parkeerplaats voor eiser bruikbaar maakt, kijkend ook naar zijn verklaringen hierover. Dit alles in het licht van de beperkingen die eiser heeft.
Conclusie
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Zolang niet duidelijk is dat de eigen parkeerplaats van eiser voor hem bruikbaar is, mag hij niet te lang verstoken blijven van de een gehandicaptenparkeerplaats. Daarom geeft de rechtbank aan verweerder een termijn van vier weken om onderzoek te doen en een nieuw besluit te nemen. Verweerder zal het onderzoek moeten laten uitvoeren door een ter zake kundig persoon van binnen of buiten de gemeente of een adviesbureau. Dit omdat het onderzoek expertise vraagt dat niet door een ieder kan worden uitgevoerd.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.674,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 6 december 2022;
- draagt het college op om binnen een termijn van vier weken een nieuw besluit te nemen op
het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 50,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.674,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Pruntel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.