Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-09-04
ECLI:NL:RBMNE:2023:4653
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,665 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/3033
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2023 in de zaak tussen
[eiser 1] , uit [woonplaats] ,
[eiser 2] uit [woonplaats] , eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist, het college
(gemachtigde: mr. R Snijder).
Inleiding
Het college heeft met het besluit van 10 maart 2023 een omgevingsvergunning verleend
voor een appartementengebouw met 25 zorgappartementen op het adres [adres] in [woonplaats] . Het college heeft dit besluit voorbereid met de uitgebreide procedure zoals opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Eisers zijn omwonenden en hebben, samen met anderen, tijdig een zienswijze op het ontwerpbesluit ingediend. In deze zienswijze is ook verzocht om inzage in alle relevante stukken die aan het ontwerpbesluit ten grondslag hebben gelegen.
Op 15 oktober 2021 heeft het college een e-mailbericht gestuurd waarin, kort gezegd, staat dat de ontvangen zienswijze in behandeling wordt genomen. De wettelijke zienswijzentermijn kan niet worden verlengd en dat betekent dat het college eisers geen extra tijd kan bieden om de zienswijze aan te vullen. Eisers vraag over het beschikbaar stellen van stukken wordt aangemerkt als een verzoek in de zin van Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en doorloopt een andere procedure (UTR 22/3441).
Op 21 oktober 2021 hebben eisers bezwaar gemaakt tegen de weigering om inzage te
verlenen in de relevante stukken en het niet gunnen van een nadere termijn voor het aanvullen van de zienswijze. Deze zaak gaat over de beslissing van het college om de termijn voor het aanvullen van de zienswijze niet te verlengen.
Op 29 juni 2022 hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een
Dictum
Op 23 november 2022 heeft de rechtbank eisers in de gelegenheid gesteld om te
reageren op de bestreden besluiten. Eisers zijn het niet eens met de bestreden besluiten en hebben op 21 december 2022 gronden tegen het bestreden besluit ingediend.
Beoordeling
1. Eisers hebben geen belang meer bij de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig
beslissen, omdat er inmiddels inhoudelijk is beslist. Dat beroep is daarom niet-ontvankelijk. Omdat het beroep tegen het niet tijdig beslissen van rechtswege ook betrekking heeft op het alsnog genomen inhoudelijke besluiten van 1 november 2022, beoordeelt de rechtbank hierna deze inhoudelijke besluiten.
2. Eisers voeren – kort samengevat – aan dat zij nog steeds belang hebben bij hun beroep
omdat het college de gevraagde informatie niet (volledig) heeft verstrekt. Daarnaast verzoeken zij om vergoeding van immateriële schade die zij stellen te hebben geleden vanwege het vele werk dat zij aan deze procedure hebben gehad en geschaad vertrouwen.
3. De rechtbank geeft eisers geen gelijk. Artikel 6:3 van de Awb bepaalt dat een beslissing
in de procedure ter voorbereiding van een ander besluit (de hoofdprocedure) niet voor bezwaar of beroep vatbaar is, tenzij deze voorbereidingsbeslissing de belanghebbende los van het besluit in de hoofdprocedure rechtstreeks in zijn belang raakt. De achtergrond hiervan is dat de hoofdprocedure op die manier niet nodeloos wordt vertraagd door verschillende subprocedures over voorbereidingsbeslissingen. De rechtbank is van oordeel dat de beslissing van het college om eisers geen langere termijn te geven om hun zienswijze aan te vullen (de voorbereidingsbeslissing), niet los kan worden gezien van de beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning (de hoofdprocedure). De beslissing van het college kan worden getoetst in de hoofdzaak en als die beslissing een ernstig gebrek in de voorprocedure oplevert, kan dit leiden tot vernietiging van het besluit (de verleende omgevingsvergunning) in die hoofdprocedure. Dit laatste is ook de reden waarom het betoog van eisers dat er wel sprake is van een rechtstreeks belang niet slaagt. Ook eisers verwijzing naar de Crisis- en herstelwet levert geen rechtstreeks belang omdat niet valt in te zien waarom een beroepsgrond over een gebrek in de voorbereiding van het besluit niet binnen de beroepstermijn in de hoofdzaak zou kunnen worden ingediend.
4. Het standpunt van het college dat er geen sprake is van een besluit waar eisers bezwaar
tegen konden maken is dus juist. Het college heeft het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Voor vergoeding van de door eisers gevraagde immateriële schade bestaat geen aanleiding. Het beroep tegen de bestreden besluiten is kennelijk ongegrond. Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank deze uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Awb maakt dat mogelijk.
Conclusie
Het beroep van eisers tegen het niet tijdig nemen van besluiten is niet-ontvankelijk.
Het beroep tegen de bestreden besluiten is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat de
bestreden besluiten in stand blijven.
Eisers verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.
Er bestaat geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of proceskosten.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen de besluiten van 1 november 2022 ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Pruntel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Op deze procedure is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing.