Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-08-30
ECLI:NL:RBMNE:2023:4498
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,198 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/4771
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 augustus 2023 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (het Uwv)
(gemachtigde: M.A. Kuilderd).
Procesverloop
In het besluit van 8 september 2022 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van verzoekster tegen de beslissing van het Uwv van 17 mei 2022, waarin haar aanvraag om een WW-uitkering per 28 april 2022 is afgewezen, niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 11 november 2022 gereageerd op het beroep van verzoekster. Daarbij heeft hij gewezen op de beslissing op bezwaar van 10 november 2022, waarin het bezwaar van verzoekster tegen een (andere) weigeringsbeslissing van het Uwv van 1 augustus 2022 om per 28 april 2022 een WW-uitkering te betalen, gegrond is verklaard. Aan verzoekster is op grond van deze beslissing op bezwaar per 5 juli 2022 een WW-uitkering toegekend.
Op 15 november 2022 heeft verzoekster het beroep ingetrokken met het gelijktijdige verzoek om het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Daarbij heeft zij ook verzocht om vergoeding van het griffierecht.
De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek van verzoekster. Bij bericht van 1 december 2022 heeft het Uwv daarvan gebruik gemaakt.
Verzoekster heeft op 23 januari 2023 gereageerd op het bericht van het Uwv en aangegeven bij haar verzoek te blijven, echter zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank.
Partijen hebben toestemming verleend om de behandeling van het beroep buiten zitting af te doen. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb. In geval van tegemoetkomen door het bestuursorgaan wordt in beginsel een proceskostenveroordeling uitgesproken. Alleen in uitzonderlijke gevallen is dat anders. In artikel 8:41, zevende lid, van de Awb is geregeld dat bij tegemoetkomen door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan het betaalde griffierecht moet vergoeden.
2. Verzoekster stelt dat het Uwv met de beslissing op bezwaar van 10 november 2022 volledig aan haar is tegemoetgekomen.
3. De rechtbank overweegt dat van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb alleen sprake is als het bestuursorgaan binnen de grenzen van het geding een in het bestreden besluit ingenomen standpunt heeft herzien en het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit alsnog heeft genomen, op gronden die een erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit impliceren. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake. Het besluit waarmee volgens verzoekster is tegemoetgekomen, betreft een andere beslissing op bezwaar die betrekking heeft op een andere primaire beslissing, namelijk van 1 augustus 2022. Met deze beslissing is aan haar een WW-uitkering per 5 juli 2022 toegekend. Het Uwv heeft met deze beslissing niet het bestreden besluit herzien, waarin wordt geoordeeld dat het bezwaar niet-ontvankelijk is omdat verzoekster haar bezwaren niet verontschuldigbaar te laat zou hebben ingediend. De rechtbank begrijpt dat verzoekster materieel gezien met het beroep uiteindelijk ook de WW-uitkering wilde bereiken, maar dat is onvoldoende om van tegemoetkomen te kunnen spreken. Naast de conclusie dat het bestreden besluit niet is herzien, heeft verzoekster in deze zaak ook geen beroepsgronden ingediend. Formeel gezien bestaat er tussen het instellen van beroep en het toekennen van de WW-uitkering door het Uwv dan ook geen directe relatie.
4. De rechtbank wijst omdat volgens haar geen sprake is van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb, het verzoek om het Uwv te veroordelen in de proceskosten af.
5. Verzoekster heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht vanwege betalingsonmacht. Voldoende aannemelijk is dat verzoekster in de beoordelingsperiode niet beschikte over de financiële middelen waarmee zij in staat zou zijn om het griffierecht te voldoen. Verzoekster voldoet daarmee aan de voorwaarden voor vrijstelling van de betaling van griffierecht. Het verzoek om vrijstelling wordt daarmee (definitief) toegewezen. Nu verzoekster geen griffierecht hoeft te betalen, ligt niet ter beoordeling voor of het bestuursorgaan in de vergoeding van die kosten moet worden veroordeeld.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek om het Uwv te veroordelen in de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Spee, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Fix, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/4771
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 augustus 2023 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (het Uwv)
(gemachtigde: M.A. Kuilderd).
Procesverloop
In het besluit van 8 september 2022 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van verzoekster tegen de beslissing van het Uwv van 17 mei 2022, waarin haar aanvraag om een WW-uitkering per 28 april 2022 is afgewezen, niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 11 november 2022 gereageerd op het beroep van verzoekster. Daarbij heeft hij gewezen op de beslissing op bezwaar van 10 november 2022, waarin het bezwaar van verzoekster tegen een (andere) weigeringsbeslissing van het Uwv van 1 augustus 2022 om per 28 april 2022 een WW-uitkering te betalen, gegrond is verklaard. Aan verzoekster is op grond van deze beslissing op bezwaar per 5 juli 2022 een WW-uitkering toegekend.
Op 15 november 2022 heeft verzoekster het beroep ingetrokken met het gelijktijdige verzoek om het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Daarbij heeft zij ook verzocht om vergoeding van het griffierecht.
De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek van verzoekster. Bij bericht van 1 december 2022 heeft het Uwv daarvan gebruik gemaakt.
Verzoekster heeft op 23 januari 2023 gereageerd op het bericht van het Uwv en aangegeven bij haar verzoek te blijven, echter zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank.
Partijen hebben toestemming verleend om de behandeling van het beroep buiten zitting af te doen. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb. In geval van tegemoetkomen door het bestuursorgaan wordt in beginsel een proceskostenveroordeling uitgesproken. Alleen in uitzonderlijke gevallen is dat anders. In artikel 8:41, zevende lid, van de Awb is geregeld dat bij tegemoetkomen door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan het betaalde griffierecht moet vergoeden.
2. Verzoekster stelt dat het Uwv met de beslissing op bezwaar van 10 november 2022 volledig aan haar is tegemoetgekomen.
3. De rechtbank overweegt dat van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb alleen sprake is als het bestuursorgaan binnen de grenzen van het geding een in het bestreden besluit ingenomen standpunt heeft herzien en het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit alsnog heeft genomen, op gronden die een erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit impliceren. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake. Het besluit waarmee volgens verzoekster is tegemoetgekomen, betreft een andere beslissing op bezwaar die betrekking heeft op een andere primaire beslissing, namelijk van 1 augustus 2022. Met deze beslissing is aan haar een WW-uitkering per 5 juli 2022 toegekend. Het Uwv heeft met deze beslissing niet het bestreden besluit herzien, waarin wordt geoordeeld dat het bezwaar niet-ontvankelijk is omdat verzoekster haar bezwaren niet verontschuldigbaar te laat zou hebben ingediend. De rechtbank begrijpt dat verzoekster materieel gezien met het beroep uiteindelijk ook de WW-uitkering wilde bereiken, maar dat is onvoldoende om van tegemoetkomen te kunnen spreken. Naast de conclusie dat het bestreden besluit niet is herzien, heeft verzoekster in deze zaak ook geen beroepsgronden ingediend. Formeel gezien bestaat er tussen het instellen van beroep en het toekennen van de WW-uitkering door het Uwv dan ook geen directe relatie.
4. De rechtbank wijst omdat volgens haar geen sprake is van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb, het verzoek om het Uwv te veroordelen in de proceskosten af.
5. Verzoekster heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht vanwege betalingsonmacht. Voldoende aannemelijk is dat verzoekster in de beoordelingsperiode niet beschikte over de financiële middelen waarmee zij in staat zou zijn om het griffierecht te voldoen. Verzoekster voldoet daarmee aan de voorwaarden voor vrijstelling van de betaling van griffierecht. Het verzoek om vrijstelling wordt daarmee (definitief) toegewezen. Nu verzoekster geen griffierecht hoeft te betalen, ligt niet ter beoordeling voor of het bestuursorgaan in de vergoeding van die kosten moet worden veroordeeld.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek om het Uwv te veroordelen in de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Spee, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Fix, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.