Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-08-04
ECLI:NL:RBMNE:2023:4450
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,474 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/105
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. P.A.J. van Putten),
en
de Burgemeester van de gemeente Almere
(gemachtigden: mr. L. Rutten en mr. M. Telderman).
Als derde-partij neemt aan deze zaak deel: [derde-partij] (ex-echtgenote)
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de oplegging van een huisverbod als bedoeld in artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth) en tegen de verlenging van dit huisverbod.
Op verzoek van de ex-echtgenote zijn eiser en zijn ex-echtgenote vier jaar geleden gescheiden. Bij de scheiding is het gebruiksrecht van de woning aan de [adres] in [woonplaats] aan de exechtgenote van eiser toebedeeld. Eiser woonde in november 2022 echter nog steeds met zijn ex-echtgenote en hun twee meerderjarige kinderen in de woning.
Met het besluit van 30 november 2022 heeft de burgemeester eiser een huisverbod opgelegd voor de duur van 10 dagen voor de woning gelegen aan de [adres] in [woonplaats] . Met het besluit van 10 december 2022 heeft de burgemeester het huisverbod verlengd met 18 dagen tot 28 december 2022 om 19:14 uur.
4. Eiser heeft 4 januari 2023 beroep ingesteld tegen de oplegging van het huisverbod en de verlenging ervan. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. Met de beslissing van 6 maart 2023 heeft een andere rechter dan de behandelend rechter bepaald dat de door de burgemeester op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzochte beperking van de kennisname gerechtvaardigd is voor zover dit de verklaringen van betrokkenen betreft. Eiser heeft de rechtbank toestemming gegeven om mede op grondslag van deze stukken uitspraak te doen.
6. De rechtbank heeft het beroep op 29 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de ex-echtgenote en de gemachtigden van de burgemeester, vergezeld door [A] (werkzaam bij Veilig Thuis Flevoland).Beoordeling door de rechtbank
Procesbelang
7. Ondanks dat de periode waarvoor het huisverbod en de verlenging golden inmiddels voorbij zijn, heeft eiser zoals op de zitting met partijen is besproken nog wel een rechtens te beschermen belang bij de beoordeling van de rechtmatigheid van deze besluiten. Een huisverbod impliceert namelijk een publiekelijke afwijzing van het gedrag van de uithuisgeplaatste. Daarom is het aannemelijk dat eiser hierdoor in zijn eer en goede naam is geschaad.
Toetsingskader (verlengd) huisverbod
8. De burgemeester kan onder omstandigheden iemand verbieden om nog langer in zijn woning te verblijven en contact te hebben met de achterblijvers. Het moet gaan om een situatie waarin de aanwezigheid van die persoon ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van de achterblijvers. Een ernstig vermoeden voor dat gevaar is ook voldoende. Het verbod geldt in eerste instantie voor de periode van maximaal tien dagen en kan worden verlengd met achttien dagen.
9. Artikel 2 van het Besluit tijdelijk huisverbod (Besluit) bepaalt dat de burgemeester bij de afweging of een huisverbod wordt opgelegd uitsluitend let op feiten en omstandigheden die in de bijlage bij het Besluit zijn opgenomen. De burgemeester laat zich verder adviseren door deskundigen die, voor hun oordeel of bij (mogelijk) huiselijk geweld een huisverbod moet worden opgelegd, een Risico-taxatie instrument Huiselijk Geweld (RiHG) invullen. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wth kan het huisverbod worden verlengd als de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.
10. Het opleggen van een huisverbod is een ingrijpend instrument waarvan de toepassing zeer grote gevolgen heeft voor het privéleven van alle betrokkenen. De bevoegdheid om zo’n huisverbod op te leggen, is daarom beperkt tot situaties waarin voldoende grond aanwezig is om aan te nemen, of ernstig te vermoeden, dat zich een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen voordoet. Als dat het geval is, moet de burgemeester zorgvuldig overwegen of aanwending van de bevoegdheid nodig is. De rechter beoordeelt of de aangevoerde omstandigheden zo ernstig zijn, dat in het voorliggende geval een bevoegdheid tot opleggen van een huisverbod bestond. Als dat het geval is, wordt de afweging van de burgemeester om vervolgens van die bevoegdheid gebruik te maken verder door de bestuursrechter terughoudend getoetst. Dit volgt uit vaste rechtspraak.Standpunt eiser
11. Eiser stelt dat de burgemeester niet bevoegd was om hem een huisverbod op te leggen dan wel niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kon maken. Er was geen (gevaar voor) huiselijk geweld op het moment dat het huisverbod werd opgelegd en verlengd. Hierbij wijst eiser erop dat het huisverbod niet naar aanleiding van een concreet incident is opgelegd en alleen is opgelegd vanwege de veronderstelde voorgeschiedenis. Eiser vindt dat dit onvoldoende is voor het aannemen van een onmiddellijke ernstige dreiging. Volgens eiser heeft de burgemeester ook geen zorgvuldige belangenafweging gemaakt en ten onrechte het belang van zijn ex-partner bij veiligheid en rust zwaarder laten wegen dan eisers belang bij terugkeer naar de woning en contact met zijn kinderen. Hierbij wijst eiser erop dat hij voor alle hulpverlening openstaat en met de Reclassering Nederland heeft gesproken. Eiser voert aan dat hij niet is gehoord bij de oplegging van het huisverbod. Eiser betwist verder dat hij de leiding over de financiën neemt, terwijl hij al jaren geen inkomen meer heeft. Eiser heeft diverse banen via een uitzendbureau gehad en werkte tot december 2022 bij [bedrijf] .
Mocht de burgemeester het huisverbod van 30 november 2022 opleggen?
12. De rechtbank stelt vast dat in het besluit niet alle feiten en omstandigheden staan die aanleiding vormden voor het opleggen van het huisverbod. De rechtbank oordeelt echter dat op basis van de stukken kan worden vastgesteld dat er sprake was van een situatie waarin er een ernstig vermoeden bestond dat de aanwezigheid van eiser in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van één of meer personen in de woning opleverde. De rechtbank overweegt als volgt.
13. Uit de situatie ter plaatse en het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat sprake is van psychisch geweld en dat er bij de ex-echtgenote en kinderen gelet op de lange voorgeschiedenis van huiselijk geweld extreme angst bestaat voor het opnieuw oplaaien van fysiek geweld. Dit wordt ondersteund door het beeld geschetst in de RiHG. Hierin staat dat er een voortdurende dreiging is van verbaal geweld en dat eiser dreigt met fysiek geweld onder meer wanneer de ex-echtgenote of de kinderen de politie zouden bellen. Ook heeft eiser in de woning steeds messen bij zich. Dit wordt door de ex-echtgenote en de kinderen als zeer intimiderend ervaren. Tijdens de zitting heeft de medewerker van Veilig Thuis toegelicht dat bij het opstarten van hulpverlening bij een lange geschiedenis van huiselijk geweld er een verhoogd risico bestaat dat dit geweld opnieuw oplaait. De vrees dat dit risico zich zal verwezenlijken wordt versterkt doordat eiser ook heeft aangegeven dat geweld volgt als de ex-echtgenote en kinderen hulpverlening inschakelen door de politie te bellen. Bij het oordeel dat sprake is van een vermoeden van een ernstige en onmiddellijke dreiging acht de rechtbank ook van belang wat er in de gelakte stukken staat. Verder is naar het oordeel van de rechtbank van belang dat eiser enerzijds stellig ontkent dat binnen het gezin geweld heeft plaatsgevonden.
Conclusie
17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. R.G.A. Beijen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) 19 mei 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM4973.
Artikel 2, eerste lid, van de Wth.
Artikel 9, eerste lid, van de Wth.
De voorzieningenrechter wijst als voorbeeld van die vaste rechtspraak naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:309.
Vgl. ECLI:NL:RVS:2022:3784.