Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-08-21
ECLI:NL:RBMNE:2023:4349
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
6,068 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/2705
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 augustus 2023 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. Th. de Werdt),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstein, verweerder
(gemachtigde: L. de Groot).
Procesverloop
Wat is er tot nu toe gebeurd?
Verzoeker heeft op 14 maart 2023 bij verweerder verzocht om verlenging van zijn indicatie voor huishoudelijke hulp vanaf 2 april 2023 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor twee uur per week zorg in natura.
Bij besluit van 8 juni 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker afgewezen. Volgens verweerder komt verzoeker per 2 april 2023 niet in aanmerking voor huishoudelijke hulp op grond van de Wmo 2015, omdat hij voldoende financiële middelen heeft om zelf te voorzien in de benodigde huishoudelijke hulp. Zijn inkomen ligt namelijk boven de voor hem geldende inkomensnorm uit artikel 7, achtste lid, van de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente IJsselstein 2022 (hierna: de Verordening).
Verzoeker is het niet eens met de gehanteerde inkomensnorm en heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2023. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang bij deze procedure?
2. Deze procedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van de bezwaarprocedure een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Van onverwijlde spoed is sprake als er bijvoorbeeld een onomkeerbare situatie dreigt (bijvoorbeeld faillissement) of sprake is van acute financiële nood. Omdat bij verweerder bezwaar is gemaakt tegen het primaire besluit, moet de vraag worden beantwoord of sprake is van onverwijlde spoed die het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening noodzakelijk maakt in afwachting van de beslissing op dat bezwaar.
3. Verzoeker heeft in dit kader aangevoerd dat hij geen mogelijkheden heeft te voorzien in huishoudelijke hulp anders dan in het kader van de Wmo 2015. Door zijn fysieke problemen, die onlangs verder zijn verslechterd, kan hij de huishoudelijke taken niet op eigen kracht verrichten. Ter zitting heeft verzoeker aanvullend verklaard dat het een bende is in zijn huis en dat hij geen netwerk of kennissenkring heeft om hem bij het huishouden te ondersteunen. Zijn buurvrouw stofzuigt incidenteel, meer is er niet. Verzoeker heeft ook geen particuliere hulp kunnen vinden.
4. Volgens verweerder is er geen spoedeisend belang, omdat de huishoudelijke taken uit te stellen zijn.
5. Het betoog van verzoeker slaagt niet. De voorzieningenrechter ziet in de door verzoeker overgelegde stukken en zijn toelichting ter zitting op dit moment geen spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter begrijpt dat het huis van verzoeker een bende is en verzoeker zelf zijn huishouden door zijn lichamelijke beperkingen niet kan bijhouden. Het is spijtig dat verzoeker, zoals hij stelt, geen hulp vanuit zijn omgeving of vanuit een particuliere instelling heeft kunnen vinden. Dat op zichzelf geeft echter geen spoedeisend belang, omdat het geen onomkeerbare situatie betreft. De huishoudelijke taken kunnen namelijk later alsnog worden gedaan, en niet gesteld of gebleken is dat het huis van verzoeker zodanig vervuild is, dat het onleefbaar is geworden.
Is er sprake van een evident onrechtmatig besluit?
6. Omdat de voorzieningenrechter vindt dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan zij de voorziening alleen nog treffen als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is of als de belangenafweging in het voordeel van verzoeker uitvalt. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat het voor de voorzieningenrechter overduidelijk is dat het standpunt van verweerder niet klopt en in de bezwaarfase dus geen stand zal houden. De voorzieningenrechter moet dit kunnen vaststellen zonder grondig onderzoek te doen naar de relevante feiten en/of de wettelijke bepalingen van de zaak.
7. Verzoeker heeft in dit kader aangevoerd dat op basis van de Wmo 2015 geen inkomenstoets aangelegd mag worden. Het abonnementssysteem zoals opgenomen in de Wmo 2015 is van toepassing. Dat volgt ook uit artikel 14 van de Verordening. Een inkomenstoets is daarnaast niet op zijn plaats. Ter zitting heeft verzoeker hieraan toegevoegd dat artikel 7, achtste lid, van de Verordening onverbindend is wegens strijd met de Wmo 2015 en artikel 14 van de Verordening.
8. Volgens verweerder is de inkomenstoets noodzakelijk om de huishoudelijke ondersteuning betaalbaar, beheersbaar en beschikbaar te houden. Om die reden heeft de gemeenteraad de Verordening aangepast met artikel 7, achtste lid. Verweerder ziet ook ruimte voor een inkomenstoets: het aanwezige inkomen is namelijk een wezenlijk onderdeel van iemands eigen kracht en zelfredzaamheid en moet daarom meegewogen worden. Deze beheersmaatregelen zijn genomen in afwachting van de wetswijziging waarbij rekening wordt gehouden met de financiële draagkracht van burgers.
9.1.
Het betoog van verzoeker slaagt. Daartoe overweegt en oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.
9.2.
Op grond van artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015, voor zover van belang, beslist het college tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.
Artikel 7, achtste lid, van de Verordening bepaalt dat bij de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning bij de beoordeling van de eigen kracht en eigen mogelijkheden tevens de eigen financiële mogelijkheden (zelfredzaamheid) worden meegewogen. Een inkomensgrens wordt gehanteerd voor huishoudens met een inkomen boven de 185% van het sociaal minimum.
9.3.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het begrip ‘eigen kracht’ in de Wmo 2015 niet is gedefinieerd. De voorzieningenrechter ziet hiermee niet de door verweerder gestelde ruimte om aanvragen om huishoudelijke hulp af te wijzen als de cliënt over voldoende financiële middelen (en dus over ‘eigen kracht’ om zelf hulp in te kopen) beschikt. De voorzieningenrechter leidt dit af uit de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de Wmo 2015, uit de parlementaire geschiedenis bij het later ingevoerde abonnementstarief en de rechtspraak op dit punt.
9.4.
In de Memorie van Toelichting bij de Wmo 2015 is het volgende opgenomen over het meewegen van inkomen:
‘Uitgangspunt van dit wetsvoorstel is dat maatschappelijke ondersteuning beschikbaar is voor degenen die daarop zijn aangewezen, ongeacht de hoogte van het inkomen of vermogen. De regering kiest niet voor het hanteren van een inkomens- dan wel vermogensgrens of toets die bepaalt of iemand in aanmerking komt voor ondersteuning uit hoofde van dit wetsvoorstel.’
‘De gemeente mag de aanvraag van een cliënt die een voorziening zelf, zonder tussenkomst van de gemeente, zou kunnen bekostigen gelet op de hoogte van het inkomen en vermogen in relatie tot de bijdrage, niet op die grond afwijzen. Dat neemt niet weg, dat de gemeente in het gesprek met financieel draagkrachtige cliënten natuurlijk wel mag wijzen op de mogelijkheid de voorziening zelf te financieren. Als de cliënt dat wil en ook in staat is om dat zelf te organiseren, kan dat de juiste aanpak zijn. De cliënt kiest er dan voor de voorziening zelf buiten de gemeente om te regelen.’
9.5.
In de memorie van toelichting bij de wijziging van de Wmo 2015 inzake de bijdrage voor maatschappelijke ondersteuning en de beoordeling voor de verstrekking van de maatwerkvoorziening is opgenomen:
‘Als er zich in de praktijk inderdaad ongewenste effecten voordoen die zich onvoldoende met de huidige wettelijke kaders en gemeentelijk lokaal beleid laten beïnvloeden, moeten er mogelijkheden zijn om deze ongewenste effecten terug te dringen. Dit wordt mogelijk gemaakt door in dit wetsvoorstel op te nemen dat bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld kunnen worden met betrekking tot de beoordeling van het college voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening (artikel 2.3.5 van de Wmo 2015).
Conclusie
13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. De voorzieningenrechter schorst het primaire besluit tot de beslissing op bezwaar en bepaalt dat verzoeker in de periode tot aan de beslissing op bezwaar verlenging van zijn eerdere indicatie (twee uur per week huishoudelijke hulp in de vorm van zorg in natura) toegekend krijgt. De voorzieningenrechter neemt hierbij in acht dat dit een voorlopig oordeel is, in afwachting van de volledige heroverweging en de beslissing van verweerder op het bezwaar van verzoeker. Het gaat dan te ver om, zoals verzoeker heeft betoogd, artikel 7, achtste lid, van de Verordening onverbindend te verklaren.
14. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 50,- vergoedt.
15. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
- schorst het primaire besluit tot de beslissing op bezwaar;
bepaalt dat tot de beslissing op bezwaar aan verzoeker hulp in het huishouden in de vorm van zorg in natura voor twee uur per week wordt toegekend;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan verzoeker te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.674,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2023.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 44
Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 45.
Kamerstukken II, 2018/19, 35 093, nr. 3, p. 6.
Kamerstukken II, 2018/19, 35 093, nr. 6, p. 9.
Kamerstukken II, 2018/19, 35 093, nr. 6, p. 24.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/2705
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 augustus 2023 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. Th. de Werdt),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstein, verweerder
(gemachtigde: L. de Groot).
Procesverloop
Wat is er tot nu toe gebeurd?
Verzoeker heeft op 14 maart 2023 bij verweerder verzocht om verlenging van zijn indicatie voor huishoudelijke hulp vanaf 2 april 2023 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor twee uur per week zorg in natura.
Bij besluit van 8 juni 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker afgewezen. Volgens verweerder komt verzoeker per 2 april 2023 niet in aanmerking voor huishoudelijke hulp op grond van de Wmo 2015, omdat hij voldoende financiële middelen heeft om zelf te voorzien in de benodigde huishoudelijke hulp. Zijn inkomen ligt namelijk boven de voor hem geldende inkomensnorm uit artikel 7, achtste lid, van de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente IJsselstein 2022 (hierna: de Verordening).
Verzoeker is het niet eens met de gehanteerde inkomensnorm en heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2023. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang bij deze procedure?
2. Deze procedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van de bezwaarprocedure een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Van onverwijlde spoed is sprake als er bijvoorbeeld een onomkeerbare situatie dreigt (bijvoorbeeld faillissement) of sprake is van acute financiële nood. Omdat bij verweerder bezwaar is gemaakt tegen het primaire besluit, moet de vraag worden beantwoord of sprake is van onverwijlde spoed die het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening noodzakelijk maakt in afwachting van de beslissing op dat bezwaar.
3. Verzoeker heeft in dit kader aangevoerd dat hij geen mogelijkheden heeft te voorzien in huishoudelijke hulp anders dan in het kader van de Wmo 2015. Door zijn fysieke problemen, die onlangs verder zijn verslechterd, kan hij de huishoudelijke taken niet op eigen kracht verrichten. Ter zitting heeft verzoeker aanvullend verklaard dat het een bende is in zijn huis en dat hij geen netwerk of kennissenkring heeft om hem bij het huishouden te ondersteunen. Zijn buurvrouw stofzuigt incidenteel, meer is er niet. Verzoeker heeft ook geen particuliere hulp kunnen vinden.
4. Volgens verweerder is er geen spoedeisend belang, omdat de huishoudelijke taken uit te stellen zijn.
5. Het betoog van verzoeker slaagt niet. De voorzieningenrechter ziet in de door verzoeker overgelegde stukken en zijn toelichting ter zitting op dit moment geen spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter begrijpt dat het huis van verzoeker een bende is en verzoeker zelf zijn huishouden door zijn lichamelijke beperkingen niet kan bijhouden. Het is spijtig dat verzoeker, zoals hij stelt, geen hulp vanuit zijn omgeving of vanuit een particuliere instelling heeft kunnen vinden. Dat op zichzelf geeft echter geen spoedeisend belang, omdat het geen onomkeerbare situatie betreft. De huishoudelijke taken kunnen namelijk later alsnog worden gedaan, en niet gesteld of gebleken is dat het huis van verzoeker zodanig vervuild is, dat het onleefbaar is geworden.
Is er sprake van een evident onrechtmatig besluit?
6. Omdat de voorzieningenrechter vindt dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan zij de voorziening alleen nog treffen als het besluit van verweerder evident onrechtmatig is of als de belangenafweging in het voordeel van verzoeker uitvalt. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat het voor de voorzieningenrechter overduidelijk is dat het standpunt van verweerder niet klopt en in de bezwaarfase dus geen stand zal houden. De voorzieningenrechter moet dit kunnen vaststellen zonder grondig onderzoek te doen naar de relevante feiten en/of de wettelijke bepalingen van de zaak.
7. Verzoeker heeft in dit kader aangevoerd dat op basis van de Wmo 2015 geen inkomenstoets aangelegd mag worden. Het abonnementssysteem zoals opgenomen in de Wmo 2015 is van toepassing. Dat volgt ook uit artikel 14 van de Verordening. Een inkomenstoets is daarnaast niet op zijn plaats. Ter zitting heeft verzoeker hieraan toegevoegd dat artikel 7, achtste lid, van de Verordening onverbindend is wegens strijd met de Wmo 2015 en artikel 14 van de Verordening.
8. Volgens verweerder is de inkomenstoets noodzakelijk om de huishoudelijke ondersteuning betaalbaar, beheersbaar en beschikbaar te houden. Om die reden heeft de gemeenteraad de Verordening aangepast met artikel 7, achtste lid. Verweerder ziet ook ruimte voor een inkomenstoets: het aanwezige inkomen is namelijk een wezenlijk onderdeel van iemands eigen kracht en zelfredzaamheid en moet daarom meegewogen worden. Deze beheersmaatregelen zijn genomen in afwachting van de wetswijziging waarbij rekening wordt gehouden met de financiële draagkracht van burgers.
9.1.
Het betoog van verzoeker slaagt. Daartoe overweegt en oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.
9.2.
Op grond van artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015, voor zover van belang, beslist het college tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.
Artikel 7, achtste lid, van de Verordening bepaalt dat bij de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning bij de beoordeling van de eigen kracht en eigen mogelijkheden tevens de eigen financiële mogelijkheden (zelfredzaamheid) worden meegewogen. Een inkomensgrens wordt gehanteerd voor huishoudens met een inkomen boven de 185% van het sociaal minimum.
9.3.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het begrip ‘eigen kracht’ in de Wmo 2015 niet is gedefinieerd. De voorzieningenrechter ziet hiermee niet de door verweerder gestelde ruimte om aanvragen om huishoudelijke hulp af te wijzen als de cliënt over voldoende financiële middelen (en dus over ‘eigen kracht’ om zelf hulp in te kopen) beschikt. De voorzieningenrechter leidt dit af uit de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de Wmo 2015, uit de parlementaire geschiedenis bij het later ingevoerde abonnementstarief en de rechtspraak op dit punt.
9.4.
In de Memorie van Toelichting bij de Wmo 2015 is het volgende opgenomen over het meewegen van inkomen:
‘Uitgangspunt van dit wetsvoorstel is dat maatschappelijke ondersteuning beschikbaar is voor degenen die daarop zijn aangewezen, ongeacht de hoogte van het inkomen of vermogen. De regering kiest niet voor het hanteren van een inkomens- dan wel vermogensgrens of toets die bepaalt of iemand in aanmerking komt voor ondersteuning uit hoofde van dit wetsvoorstel.’
‘De gemeente mag de aanvraag van een cliënt die een voorziening zelf, zonder tussenkomst van de gemeente, zou kunnen bekostigen gelet op de hoogte van het inkomen en vermogen in relatie tot de bijdrage, niet op die grond afwijzen. Dat neemt niet weg, dat de gemeente in het gesprek met financieel draagkrachtige cliënten natuurlijk wel mag wijzen op de mogelijkheid de voorziening zelf te financieren. Als de cliënt dat wil en ook in staat is om dat zelf te organiseren, kan dat de juiste aanpak zijn. De cliënt kiest er dan voor de voorziening zelf buiten de gemeente om te regelen.’
9.5.
In de memorie van toelichting bij de wijziging van de Wmo 2015 inzake de bijdrage voor maatschappelijke ondersteuning en de beoordeling voor de verstrekking van de maatwerkvoorziening is opgenomen:
‘Als er zich in de praktijk inderdaad ongewenste effecten voordoen die zich onvoldoende met de huidige wettelijke kaders en gemeentelijk lokaal beleid laten beïnvloeden, moeten er mogelijkheden zijn om deze ongewenste effecten terug te dringen. Dit wordt mogelijk gemaakt door in dit wetsvoorstel op te nemen dat bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld kunnen worden met betrekking tot de beoordeling van het college voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening (artikel 2.3.5 van de Wmo 2015).
Conclusie
13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. De voorzieningenrechter schorst het primaire besluit tot de beslissing op bezwaar en bepaalt dat verzoeker in de periode tot aan de beslissing op bezwaar verlenging van zijn eerdere indicatie (twee uur per week huishoudelijke hulp in de vorm van zorg in natura) toegekend krijgt. De voorzieningenrechter neemt hierbij in acht dat dit een voorlopig oordeel is, in afwachting van de volledige heroverweging en de beslissing van verweerder op het bezwaar van verzoeker. Het gaat dan te ver om, zoals verzoeker heeft betoogd, artikel 7, achtste lid, van de Verordening onverbindend te verklaren.
14. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 50,- vergoedt.
15. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
- schorst het primaire besluit tot de beslissing op bezwaar;
bepaalt dat tot de beslissing op bezwaar aan verzoeker hulp in het huishouden in de vorm van zorg in natura voor twee uur per week wordt toegekend;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan verzoeker te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.674,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2023.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 44
Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 45.
Kamerstukken II, 2018/19, 35 093, nr. 3, p. 6.
Kamerstukken II, 2018/19, 35 093, nr. 6, p. 9.
Kamerstukken II, 2018/19, 35 093, nr. 6, p. 24.