Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-05-26
ECLI:NL:RBMNE:2023:4096
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,336 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/5541
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2023 in de zaak tussen
ins
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
(gemachtigde: mr. E.F. de Roy van Zuydewijn).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het besluit dat het Uwv heeft genomen op verzoekers verzoek om schadevergoeding.
Het Uwv heeft met het besluit van 5 december 2016 aan verzoeker met ingang van
2 september 2016 een uitkering op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Daarbij heeft het Uwv het dagloon van verzoeker vastgesteld op € 53,28. Met het besluit van 26 oktober 2021 heeft het Uwv erkend dat het dagloon onjuist was berekend en heeft dit alsnog vastgesteld op € 116,36. Na een herberekening over de jaren 2016 tot en met 2021 heeft het Uwv een bedrag van
€ 23.884,81 netto (bruto € 37.930,65) aan verzoeker nabetaald.
Op 8 september 2022 heeft verzoeker een verzoek om schadevergoeding ter hoogte van
€ 1.292,- ingediend bij het Uwv.
Met het besluit van 24 oktober 2022 heeft het Uwv verzoeker een schadevergoeding toegekend van € 588,-.
Verzoeker heeft een verzoekschrift ingediend en het Uwv heeft een verweerschrift ingezonden.
De rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2023 op een zitting behandeld. Verzoeker is verschenen. De gemachtigde van het Uwv heeft digitaal aan de zitting deelgenomen.
Beoordeling
1. Verzoeker krijgt geen gelijk van de rechtbank. De rechtbank legt hierna uit waarom.
2. Het Uwv heeft in 2016 een fout heeft gemaakt bij de berekening van verzoekers dagloon, waardoor hij jaren te weinig WIA-uitkering heeft ontvangen. Dat staat niet ter discussie. Deze fout heeft gevolgen gehad voor verzoekers zorgtoeslag: door de nabetaling van te weinig ontvangen WIA-uitkering in 2021 moet verzoeker over dat jaar
€ 1.292,- aan teveel ontvangen zorgtoeslag terugbetalen aan de belastingdienst. Het staat ook niet ter discussie dat het Uwv aansprakelijk is voor de door verzoeker geleden schade als gevolg van die fout.
3. In deze zaak gaat het om de vraag of het Uwv genoeg schadevergoeding aan verzoeker heeft betaald.
4. Verzoeker vindt dat het Uwv het volledige bedrag van € 1.292,- aan hem moet betalen, in plaats van de € 588,- (inclusief wettelijke rente) die het Uwv aan hem heeft uitgekeerd, omdat hij zonder de fout van het Uwv niet gehouden zou zijn het bedrag van
€ 1.292,- aan de belastingdienst terug te betalen. De rechtbank vindt dat dat niet hoeft.
5. In het schadevergoedingsrecht is het uitgangspunt dat iemand zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou verkeren als het schadeveroorzakende feit, in dit geval het te laag vaststellen van de WIA-uitkering, niet zou hebben plaatsgevonden. Het Uwv hoeft alleen daadwerkelijk geleden schade te vergoeden, en dat is wat het Uwv heeft gedaan.
6. Het bedrag van € 588,- heeft het Uwv berekend door te bekijken hoeveel zorgtoeslag verzoeker zou hebben ontvangen als de fout niet was gemaakt en dit te vergelijken met wat verzoeker daadwerkelijk heeft ontvangen. Het Uwv heeft dus niet de zorgtoeslag opnieuw vastgesteld (dat is aan de belastingdienst), maar heeft – om het recht op schadevergoeding vast te kunnen stellen – berekend hoe hoog de zorgtoeslag theoretisch is als de fout niet was gemaakt. Verzoeker heeft niet betwist dat hij in dat geval € 588,- te weinig zorgtoeslag heeft ontvangen. Verzoeker is dus in de situatie gebracht, waarin hij zou zijn als hij vanaf het begin af aan, dus vanaf 2016, het juiste bedrag aan WIA-uitkering zou hebben ontvangen. De rechtbank begrijpt goed dat de fout hele vervelende gevolgen heeft voor verzoeker, maar het Uwv is niet verplicht om meer dan € 588,- aan schade te vergoeden.
7. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
8. Partijen zijn er op de zitting op gewezen dat zij tegen deze uitspraak in hoger beroep kunnen gaan.
.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.C.P. Maarhuis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2023.
de griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden, hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.