Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-08-09
ECLI:NL:RBMNE:2023:4052
Civiel recht
Kort geding
2,451 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
handelskamer
locatie Lelystad
zaaknummer / rolnummer: C/16/555387 / HL ZA 23-118
Vonnis in incident van 9 augustus 2023
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. F.W. Aartsen te Harderwijk,
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
CONSORZIO STABILE IMPERO,
gevestigd te Rome,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. F.C. de Wit-Facchetti te Rotterdam.
Partijen zullen hierna [eiseres] en CSI genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties 1 t/m 19;
de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring met producties 1 t/m 7;
de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Hierna is bepaald dat er een vonnis in het incident zal worden uitgesproken.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
ICE Agenzia heeft CSI opdracht gegeven om een paviljoen voor de Floriade 2022 in Almere te bouwen. CSI heeft [eiseres] ingeschakeld voor de bouw van dit paviljoen. Partijen zijn hiervoor een aanneemsom van € 41.772,81 overeengekomen, die door CSI is voldaan. [eiseres] stelt dat zij voor CSI aanvullende werkzaamheden heeft verricht. Hiervoor heeft [eiseres] een bedrag van in totaal € 150.954,91 bij CSI in rekening gebracht. CSI weigert dit bedrag te betalen, omdat zij geen opdracht heeft gegeven voor de aanvullende werkzaamheden. [eiseres] is een procedure bij de Nederlandse rechter begonnen en vordert betaling van dit bedrag door CSI.
2.2.
Volgens CSI is niet de Nederlandse rechter maar de Italiaanse rechter bevoegd van het geschil tussen partijen kennis te nemen, omdat er een nauwe band is tussen de vorderingen die bij de Nederlandse rechter en Italiaanse rechter zijn ingesteld en dit tot tegenstrijdige uitspraken zou kunnen leiden.
2.3.
De Nederlandse rechter moet in ieder geval de procedure aanhouden totdat de Italiaanse rechter heeft beslist of zij bevoegd is, aldus CSI. CSI is namelijk eerder een procedure begonnen tegen [eiseres] en ICE Agenzia over hetzelfde onderwerp bij de Rechtbank Rome. Daar vordert CSI dat door de rechter wordt vastgesteld dat zij niks meer aan [eiseres] hoeft te betalen; ook niet voor de aanvullende werkzaamheden.
2.4.
De rechtbank oordeelt dat zij wel bevoegd is kennis te nemen van het geschil tussen [eiseres] en CSI en wijst de incidentele vordering van CSI af.
Bevoegdheid Nederlandse rechter
2.5.
De vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, moet worden beantwoord aan de hand van de Verordening Brussel I-bis. De hoofdregel is dat de gedaagde wordt opgeroepen in het land waar hij woont. Het is tussen partijen niet in geschil dat de Nederlandse rechter in deze zaak aan die regel geen rechtsmacht kan ontlenen. De Verordening Brussel I-bis geeft ook alternatieve bevoegdheidsregels.
2.6.
[eiseres] baseert de bevoegdheid van de Nederlandse rechter op artikel 7 lid 1 onder a van de Verordening Brussel I-bis, dat regelt dat de rechter van het land waar de overeenkomst wordt uitgevoerd, bevoegd is. Het paviljoen is voor de Floriade in Almere gebouwd. De Nederlandse rechter is dus in principe bevoegd om van dit geschil kennis te nemen, tenzij er een andere alternatieve bevoegdheidsregel geldt en die regel voor gaat.
De uitkomst in de Nederlandse en Italiaanse procedure leidt niet tot tegenstrijdige uitspraken
2.7.
Als eiser meerdere gedaagden uit verschillende landen dagvaardt, kan hij ervoor kiezen een gedaagde op te roepen voor de rechtbank in de lidstaat waar de andere gedaagde is gevestigd. Daarvoor gelden de voorwaarden dat:
er een nauwe band tussen de vorderingen tegen de verschillende gedaagden moet zijn, en
onverenigbare beslissingen bij afzonderlijke berechting van de zaken wordt voorkomen.
2.8.
Aan de laatste voorwaarde wordt in dit geval niet voldaan. De rechtbank stelt voorop dat deze bevoegdheidsregel eng moet worden uitgelegd. CSI vordert bij de Italiaanse rechter een verklaring voor recht dat CSI niks meer aan [eiseres] verschuldigd is en schadevergoeding. Tegen ICE Agenzia vordert CSI betaling van de laatste betalingstermijn. De rechtbank begrijpt uit de stellingen van CSI dat ICE Agenzia de laatste betaling aan CSI heeft opgeschort, omdat zij CSI niet hoeft te betalen zolang er tussen CSI en [eiseres] betalingsproblemen zijn.
2.9.
De vorderingen tegen [eiseres] en ICE Agenzia zullen niet tot onverenigbare beslissingen leiden. De vorderingen van partijen hebben andere grondslagen. Zo ziet de vordering tegen ICE Agenzia op de aannemingsovereenkomst tussen CSI en ICE Agenzia en de vorderingen tegen [eiseres] op de onderaannemingsovereenkomst tussen partijen. De vorderingen van CSI tegen ICE Agenzia staan los van de vorderingen van CSI tegen [eiseres]. Dat het oordeel over de vorderingen tegen [eiseres] gevolg heeft voor de vorderingen tegen ICE Agenzia betekent niet dat deze oordelen onverenigbaar zullen zijn. De Italiaanse rechter zal eventueel de uitkomst van de procedure tussen CSI en [eiseres] moeten afwachten om tot een (definitief) oordeel over de vorderingen tussen CSI en ICE Agenzia te kunnen komen.
2.10.
De Italiaanse rechter is op grond van deze alternatieve bevoegdheidsregel niet bevoegd om van het geschil tussen CSI en [eiseres] kennis te nemen.
Er is geen procedure tussen [eiseres] en CSI bij de Italiaanse rechter aanhangig
2.11.
Als er twee gerechtelijke procedures tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp en met dezelfde oorzaak bij verschillende landen aanhangig zijn, moet de rechter waar de zaak het laatst is aangebracht de zaak aanhouden totdat over de bevoegdheid van de andere rechter is beslist. In dit geval hoeft de Nederlandse procedure niet te worden aangehouden, omdat er niet twee procedures tussen dezelfde partijen bij verschillende landen aanhangig zijn. Er is namelijk geen Italiaanse procedure tegen [eiseres] aanhangig. Dit komt doordat de Italiaanse dagvaarding niet correct aan [eiseres] is betekend. Een gerechtelijke procedure is aanhangig vanaf het moment dat de dagvaarding bij de rechtbank is ingediend, op voorwaarde dat eiser de dagvaarding correct aan gedaagde heeft betekend. Aan deze voorwaarde is niet voldaan. [eiseres] ontkent dat de dagvaarding aan haar is betekend en CSI heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de dagvaarding aan [eiseres] correct is betekend. Weliswaar is door CSI bij de Italiaanse dagvaarding een document overgelegd waaruit lijkt te volgen dat de betekening van de Italiaanse dagvaarding aan [eiseres] door een postdienst is verricht (bijlage 1 van CSI). Maar daaruit volgt niet dat de Italiaanse dagvaarding door [eiseres] ook daadwerkelijk is ontvangen. Een ontvangstbevestiging is voor de betekening van de dagvaarding wel vereist.
Proceskosten
2.12.
CSI krijgt ongelijk en zal daarom in de kosten van het incident worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden die kosten aan de zijde van [eiseres] begroot op een bedrag van € 598,00 (1 punt x tarief € 598,00) aan salaris advocaat.
Dictum
De rechtbank
in het incident
3.1.
wijst de vorderingen van CSI af,
3.2.
veroordeelt CSI in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 598,00,
3.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
3.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 13 september 2023 voor conclusie van antwoord aan de zijde van CSI.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2023.
Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEU 2012, L 351, zoals laatstelijk gewijzigd op 26 november 2014, PbEU 2015, L 54 (hierna: Verordening Brussel I-bis).
Artikel 4 lid 1 Brussel I-bis.
Artikel 8 lid 1 Brussel I-bis.
Artikel 29 Brussel I-bis.
Artikel 32 lid 1 onder a Brussel I-bis: “Voor de toepassing van deze afdeling wordt een zaak geacht te zijn aangebracht bij een gerecht: a) op het tijdstip waarop het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend, mits de eiser vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de betekening of de kennisgeving van het stuk aan de verweerder moest doen”.
Artikel 18 Verordening (EU) 2020/1784.
Artikel 18 Verordening (EU) 2020/1784.
Conc: MvD 5633