Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-06-01
ECLI:NL:RBMNE:2023:3808
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,432 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLANDZittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/1636
uitspraak van voorzieningenrechter van 1 juni 2023 in de zaak tussen
[verzoeker] , [plaats] , verzoeker,
en
het College van procureurs-generaal, verweerder,
gemachtigde: mr. M.D. Groenewegen.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening dat verzoeker heeft ingediend op 18 april 2023 tegen het besluit van het college van 2 februari 2023.
Overwegingen
De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Het verzoek wordt afgewezen. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit waarom dat is.
Verzoeker heeft bij zijn verzoekschrift een besluit van het college van 2 februari 2023 gevoegd. In dit besluit heeft het college het verzoek van verzoeker om inzage in zijn persoonsgegevens ingewilligd. De voorzieningenrechter heeft verzoeker in een brief van 21 april 2023 gevraagd of hij bezwaar heeft gemaakt tegen dit besluit. De voorzieningenrechter kan namelijk alleen een voorlopige voorziening treffen als er een bezwaar of beroepsprocedure loopt tegen een besluit. Dat volgt uit artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als er geen bezwaar of beroep is ingesteld tegen een besluit, dan kan de voorzieningenrechter ook geen voorlopige voorziening treffen.
In zijn brief van 2 mei 2023 heeft verzoeker geantwoord dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 2 februari 2023. De voorzieningenrechter kan dus ook geen voorlopige voorziening treffen.
In zijn verzoekschrift stelt verzoeker verder dat de voorlopige voorziening hoort bij de beroepsprocedure UTR 23/292. De procedure UTR 23/292 gaat over een heel ander verzoek om inzage van persoonsgegevens bij het college. De voorzieningenrechter heeft vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid ook beoordeeld of er in die beroepsprocedure aanleiding bestaat tot het treffen van een voorlopige voorziening.
De zaak UTR 23/292 gaat over een beroep van eiser dat gericht is tegen een besluit van 13 september 2022. Verzoeker heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft op 19 oktober 2022 beroep bij de rechtbank ingediend. De rechtbank heeft in haar uitspraak van vandaag geoordeeld dat het beroep prematuur (dat wil zeggen: te vroeg) is ingediend. Het college moet eerst nog op het bezwaar van eiser beslissen voordat eiser beroep kan instellen. Het beroep van eiser is daarom niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker kan met zijn verzoek om een voorlopige voorziening in die procedure dus ook niets meer bereiken.
Dat neemt niet weg dat er ook nog een bezwaarprocedure bij het college loopt tegen het besluit van 13 september 2022. De voorzieningenrechter heeft in zijn brief van 21 april 2023 aan verzoeker gevraagd om toe te lichten welke voorlopige voorziening er getroffen moet worden en wat het spoedeisende belang is. In zijn reactie van 2 mei 2023 heeft verzoeker gezegd dat het college nog steeds geen beslissing op zijn bezwaar heeft genomen. Hij is ervan overtuigd dat er persoonsgegevens van hem verwerkt worden en vindt dat dat onmiddellijk moet stoppen. Zonder tussenkomst van de rechter wordt verzoeker volgens hem niet serieus genomen.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker niet heeft gezegd welke voorlopige voorziening de voorzieningenrechter zou moeten treffen in dit geval. Hij heeft ook niet toegelicht waarom hij de uitkomst van de bezwaarprocedure niet zou kunnen afwachten en waarom tussenkomst van de rechter nu direct nodig is. De voorzieningenrechter maakt uit de reactie van verzoeker op dat hij de bezwaarprocedure nu vooral wil bespoedigen. Een verzoek om een voorlopige voorziening is daarvoor echter niet het geëigende middel. Als verzoeker dat wil, moet hij het college in gebreke stellen en eventueel daarna een beroep tegen het niet-tijdig beslissen bij de rechtbank indienen. Dat heeft hij niet gedaan.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen omdat het verzoek, gelet op wat hiervoor is overwogen, kennelijk ongegrond is.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2023.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep of in verzet.
Artikel 8:83, derde lid, van de Awb.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLANDZittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/1636
uitspraak van voorzieningenrechter van 1 juni 2023 in de zaak tussen
[verzoeker] , [plaats] , verzoeker,
en
het College van procureurs-generaal, verweerder,
gemachtigde: mr. M.D. Groenewegen.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening dat verzoeker heeft ingediend op 18 april 2023 tegen het besluit van het college van 2 februari 2023.
Overwegingen
De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Het verzoek wordt afgewezen. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit waarom dat is.
Verzoeker heeft bij zijn verzoekschrift een besluit van het college van 2 februari 2023 gevoegd. In dit besluit heeft het college het verzoek van verzoeker om inzage in zijn persoonsgegevens ingewilligd. De voorzieningenrechter heeft verzoeker in een brief van 21 april 2023 gevraagd of hij bezwaar heeft gemaakt tegen dit besluit. De voorzieningenrechter kan namelijk alleen een voorlopige voorziening treffen als er een bezwaar of beroepsprocedure loopt tegen een besluit. Dat volgt uit artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als er geen bezwaar of beroep is ingesteld tegen een besluit, dan kan de voorzieningenrechter ook geen voorlopige voorziening treffen.
In zijn brief van 2 mei 2023 heeft verzoeker geantwoord dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 2 februari 2023. De voorzieningenrechter kan dus ook geen voorlopige voorziening treffen.
In zijn verzoekschrift stelt verzoeker verder dat de voorlopige voorziening hoort bij de beroepsprocedure UTR 23/292. De procedure UTR 23/292 gaat over een heel ander verzoek om inzage van persoonsgegevens bij het college. De voorzieningenrechter heeft vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid ook beoordeeld of er in die beroepsprocedure aanleiding bestaat tot het treffen van een voorlopige voorziening.
De zaak UTR 23/292 gaat over een beroep van eiser dat gericht is tegen een besluit van 13 september 2022. Verzoeker heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft op 19 oktober 2022 beroep bij de rechtbank ingediend. De rechtbank heeft in haar uitspraak van vandaag geoordeeld dat het beroep prematuur (dat wil zeggen: te vroeg) is ingediend. Het college moet eerst nog op het bezwaar van eiser beslissen voordat eiser beroep kan instellen. Het beroep van eiser is daarom niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker kan met zijn verzoek om een voorlopige voorziening in die procedure dus ook niets meer bereiken.
Dat neemt niet weg dat er ook nog een bezwaarprocedure bij het college loopt tegen het besluit van 13 september 2022. De voorzieningenrechter heeft in zijn brief van 21 april 2023 aan verzoeker gevraagd om toe te lichten welke voorlopige voorziening er getroffen moet worden en wat het spoedeisende belang is. In zijn reactie van 2 mei 2023 heeft verzoeker gezegd dat het college nog steeds geen beslissing op zijn bezwaar heeft genomen. Hij is ervan overtuigd dat er persoonsgegevens van hem verwerkt worden en vindt dat dat onmiddellijk moet stoppen. Zonder tussenkomst van de rechter wordt verzoeker volgens hem niet serieus genomen.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker niet heeft gezegd welke voorlopige voorziening de voorzieningenrechter zou moeten treffen in dit geval. Hij heeft ook niet toegelicht waarom hij de uitkomst van de bezwaarprocedure niet zou kunnen afwachten en waarom tussenkomst van de rechter nu direct nodig is. De voorzieningenrechter maakt uit de reactie van verzoeker op dat hij de bezwaarprocedure nu vooral wil bespoedigen. Een verzoek om een voorlopige voorziening is daarvoor echter niet het geëigende middel. Als verzoeker dat wil, moet hij het college in gebreke stellen en eventueel daarna een beroep tegen het niet-tijdig beslissen bij de rechtbank indienen. Dat heeft hij niet gedaan.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen omdat het verzoek, gelet op wat hiervoor is overwogen, kennelijk ongegrond is.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2023.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep of in verzet.
Artikel 8:83, derde lid, van de Awb.