Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-06-21
ECLI:NL:RBMNE:2023:3087
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,060 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 10259137 UC EXPL 22-8522 SGK/44740
Vonnis van 21 juni 2023
inzake
[eiser] , handelend onder de naam [handelsnaam],
wonend in [woonplaats] ,
verder ook te noemen: [handelsnaam] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. M.P.A. Knol
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde]
,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen: [gedaagde] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. F.B. Keulen.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Op 27 december 2022 heeft [handelsnaam] [gedaagde] gedagvaard. Op 7 maart 2023 heeft [gedaagde] daar schriftelijk op gereageerd. Daarna heeft [gedaagde] nog aanvullende producties overgelegd.
1.2.
Op 19 mei 2023 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig namens [handelsnaam] : [eiser] , [naam 1] en gemachtigde
mr. M.P.A. Knol en namens [gedaagde] : [naam 2] , [naam 3] en gemachtigde
mr. F.B. Keulen.
1.3.
De kantonrechter heeft bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.
Beoordeling
Wat is er aan de hand?
2.1.
[handelsnaam] heeft in opdracht en voor rekening van [gedaagde] kitwerkzaamheden verricht voor opdrachtgevers van [gedaagde] . [handelsnaam] heeft voor deze werkzaamheden facturen naar [gedaagde] gestuurd, maar [gedaagde] heeft deze facturen, ondanks aanmaningen, niet (volledig) voldaan. [handelsnaam] stelt dat er nog een bedrag openstaat van € 5.506,05.
2.2.
[handelsnaam] vordert in deze procedure betaling van het bedrag van
€ 5.506,05, vermeerderd met de wettelijke handelsrente en € 924,83 aan buitengerechtelijke incassokosten. Daarnaast vordert [handelsnaam] [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
2.3.
[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij stelt zich op het standpunt dat zij het nog openstaande bedrag niet hoeft te betalen.
[gedaagde] is het oordeel van de kantonrechter?
2.4.
De kantonrechter zal de vordering van [handelsnaam] grotendeels toewijzen. Hierna wordt dit oordeel van de kantonrechter toegelicht.
De toelichting
2.5.
Partijen zijn het erover eens dat [handelsnaam] in opdracht en voor rekening van [gedaagde] kitwerkzaamheden heeft verricht en [handelsnaam] voor die werkzaamheden facturen naar [gedaagde] heeft gestuurd die [gedaagde] tot op heden niet (volledig) heeft voldaan. De kantonrechter begrijpt dat er op dit moment nog drie facturen (gedeeltelijk) openstaan. Deze facturen zullen hierna achtereenvolgens worden besproken.
Factuur F2022-070
2.6.
Partijen zijn het erover eens dat deze factuur ter hoogte van € 1.936,90 ziet op werkzaamheden die [handelsnaam] in opdracht en voor rekening van [gedaagde] heeft verricht voor klant [naam 4] op een project in Arnhem. [gedaagde] heeft deze factuur tot op heden niet betaald, omdat klant [naam 4] niet tevreden was over (een deel van) de door [handelsnaam] uitgevoerde werkzaamheden. Volgens [gedaagde] had [handelsnaam] met de klant moeten overleggen welke kittechniek er moest worden gebruikt. Volgens klant [naam 4] had de buitenzijde van het pand terugliggend moeten worden gekit, maar dat is niet gebeurd. Omdat [handelsnaam] het onjuiste kitwerk aan de buitenzijde van het pand niet wilde herstellen, heeft [gedaagde] dit zelf moeten (laten) doen en de kosten hiervan (volgens [gedaagde] € 2.650,00) verrekend factuur F2022-070.
[handelsnaam] stelt zich op het standpunt dat zij de werkzaamheden deugdelijk heeft uitgevoerd. Zij heeft de door klant [naam 4] bij een proefopstelling goedgekeurde kittechniek toegepast en zowel [gedaagde] als klant [naam 4] heeft niet eerder dan na uitvoering van de werkzaamheden kenbaar gemaakt dat de buitenzijde van het pand terugliggend moest worden gekit.
2.7.
Naar het oordeel van de kantonrechter kan niet worden vastgesteld dat [handelsnaam] de werkzaamheden ondeugdelijk heeft uitgevoerd, door de buitenzijde van het pand niet terugliggend te kitten. [handelsnaam] heeft onweersproken gesteld dat zij, voordat zij is gestart met de kitwerkzaamheden, in een door klant [naam 4] gemaakte proefopstelling proefstroken heeft gekit en dat deze proefstroken door Klant [naam 4] zijn goedgekeurd. [handelsnaam] heeft hiermee onderbouwd gesteld dat zij met klant [naam 4] overleg heeft gevoerd over de te gebruiken kittechniek en zij mocht er zodoende vanuit gaan dat zij die kittechniek kon toepassen. Dat [handelsnaam] voor de buitenzijde van het pand een andere kittechniek moest toepassen heeft klant [naam 4] volgens [handelsnaam] niet kenbaar gemaakt. Dit is door [gedaagde] niet weersproken en bovendien is de kantonrechter ook niet anders gebleken.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat [handelsnaam] uit de tekeningen had kunnen afleiden dat de buitenzijde anders (terugliggend) moest worden gekit, maar dit wordt door [handelsnaam] betwist en doordat [gedaagde] haar standpunt dat het wel uit de tekeningen zou volgen niet (nader) heeft onderbouwd, kan dit niet worden vastgesteld.
Het voorgaande leidt ertoe dat niet kan worden vastgesteld dat het herstel van de (volgens de klant ondeugdelijke) uitvoering van de werkzaamheden aan de buitenzijde van het pand voor rekening van [handelsnaam] dient te komen. [gedaagde] moet daarom factuur F2022-070 ter hoogte van € 1.936,90 betalen.
De kantonrechter overweegt in dit verband nog dat [gedaagde] nog heeft aangevoerd dat er (ook) een aantal kleine punten zijn (vervuiling van kit op de tegels, hoekjes niet afgekit en niet doorgekit tot onderin bij de kozijnen) die door [handelsnaam] hersteld moeten worden, maar [handelsnaam] dit tot op heden (ook) niet heeft gedaan. [gedaagde] heeft echter niet gesteld en het is de kantonrechter daarnaast ook niet gebleken dat deze punten afzonderlijk kunnen leiden tot het in zijn geheel niet betalen van factuur F2022-070, temeer omdat van [eiser] niet verwacht kon worden dat zij deze herstelwerkzaamheden zou verrichten zolang [gedaagde] het standpunt innam dat de factuur überhaupt niet betaald zou worden.
Factuur F2022-077
2.8.
Partijen zijn het erover eens dat deze factuur ter hoogte van € 6.075,00 ziet op werkzaamheden die [handelsnaam] in opdracht en voor rekening van [gedaagde] heeft verricht in de parkeergarage van de [winkel] in Amsterdam. [gedaagde] heeft hierop een bedrag van € 4.036,15 betaald en het restant (€ 2.038,85) verrekend met de kosten die zij naar haar zeggen heeft moeten maken doordat [handelsnaam] de overeengekomen werkzaamheden per direct heeft gestaakt en ook gestaakt hield ondanks aandringen van [gedaagde] . [handelsnaam] erkent dat zij de per direct de werkzaamheden heeft gestaakt. Volgens haar was er sprake van een onwerkbare situatie.
2.9.
Naar het oordeel van de kantonrechter had [handelsnaam] niet, zonder enig overleg, mogen stoppen met de uitvoering van de overeengekomen werkzaamheden. Dit leidt ertoe dat de schade die [gedaagde] hierdoor heeft geleden in beginsel voor vergoeding in aanmerking komt. [gedaagde] verwijst voor de kosten die zij heeft moeten maken doordat [handelsnaam] de overeengekomen werkzaamheden per direct heeft gestaakt, naar factuur 220270 ter hoogte van € 2.038,85. Deze factuur bestaat uit verschillende kostenposten die hierna achtereenvolgens zullen worden besproken.
2.9.1.
Uit deze factuur volgt dat [gedaagde] € 600,00 ex btw rekent voor “inleren nieuwe mensen”. [gedaagde] heeft toegelicht dat deze post ziet op de derden die zij in heeft moeten schakelen om de door [handelsnaam] gestaakte werkzaamheden af te ronden. Als schade kan worden aangemerkt de kosten die [gedaagde] méér heeft moeten maken, doordat niet [handelsnaam] maar derden de werkzaamheden hebben afgerond.
Om de vraag te beantwoorden [gedaagde] deze meerkosten zijn, moet duidelijk zijn [gedaagde] de kosten zouden zijn wanneer [handelsnaam] de werkzaamheden zou hebben afgerond, maar dat heeft [gedaagde] niet gesteld en is de kantonrechter daarnaast ook niet gebleken. [handelsnaam] heeft namelijk onweersproken gesteld dat zij alleen de door haar uitgevoerde werkzaamheden heeft gefactureerd en zodoende niet de werkzaamheden die zij niet heeft uitgevoerd doordat zij de werkzaamheden per direct is gestaakt. Dit leidt ertoe dat niet kan worden vastgesteld of [gedaagde] schade heeft geleden doordat zij de werkzaamheden door derden heeft moeten laten afronden en de kostenpost “inleren nieuwe mensen” niet voor vergoeding in aanmerking komt.
2.9.2.
Uit de factuur volgt verder dat [gedaagde] € 720,00 rekent voor “herstellen dilatatievoegen”.
Conclusie
2.12.
Het voorgaande leidt ertoe dat de hoofdsom toewijsbaar is tot een bedrag van
€ 3.975,75. Omdat [gedaagde] te laat is met de betaling hiervan, is zij hierover de wettelijke handelsrente verschuldigd vanaf de vervaldata van de afzonderlijke facturen.
Buitengerechtelijke incassokosten
2.13.
[handelsnaam] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat [handelsnaam] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Gelet op het verweer van [gedaagde] overweegt de kantonrechter in dit verband dat voor de verschuldigdheid van de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten in het geval de schuldenaar geen consument is, niet relevant is welke incassohandelingen de schuldeiser heeft verricht, zodat ook een enkele e-mail voldoende is.
Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het in voornoemd besluit bepaalde tarief, dat is € 522,58.
Proceskosten
2.14.
[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [handelsnaam] worden begroot op:
- dagvaarding € 103,33
- griffierecht € 244,00
- salaris gemachtigde € 660,00 (2 punten x tarief € 330,00)
Totaal € 1.007,33
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [handelsnaam] te betalen € 3.975,75 vermeerderd met de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW vanaf de vervaldata van de afzonderlijke facturen tot de dag dat alles is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [handelsnaam] te betalen € 522,58 aan buitengerechtelijke incassokosten;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [handelsnaam] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.007,33, waarin begrepen € 660,00 aan salaris gemachtigde;
3.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2023.