Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-06-16
ECLI:NL:RBMNE:2023:3003
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,600 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/5733
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
Belastingdienst/Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: [A] en [B]).
Zitting
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van verweerder van 18 oktober 2022 op 16 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van verweerder.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna onder de beslissing.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Inleiding
1. Eiser is aangemerkt als gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. Hij heeft aan Sociale Banken Nederland (SBN) een lijst van schulden verstrekt. Daarop staat dat eiser een schuld van € 19.625,60,- heeft aan [bedrijf], de onderneming van zijn broer.
2. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 1 juni 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 oktober 2022 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft – kortgezegd – overwogen dat de schuld niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat hij niet voortvloeit uit een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf van de schuldeiser verrichte rechtshandeling. Het is volgens verweerder een informele schuld aan de broer van eiser. Voor informele schulden geldt de eiser dat deze moeten zijn vastgelegd in een notariële akte of een rechtelijke uitspraak. Nu daar geen sprake van is, kan de schuld niet worden overgenomen, aldus verweerder.
3. Eiser heeft op 16 december 2022 beroep ingesteld tegen het bestreden beluit.
4. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Beoordeling
5. Een beroep moet worden ingediend binnen zes weken nadat het besluit bekend is gemaakt (artikelen 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). In artikel 3:41 van de Awb staat hoe dat bekendmaken gebeurt.
6. In dit geval is het besluit bekendgemaakt op 18 oktober 2022. Het beroepschrift had dus uiterlijk op 29 november 2022 door de rechtbank ontvangen moeten zijn. De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 16 december 2022. Dat is dus te laat. De hoofdregel is dan dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het beroepschrift te laat door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar eiser niets aan kan doen.
7. Eiser heeft op de zitting uitgelegd dat hij zich vergist heeft. Hij dacht dat zijn advocaat al zijn zaken met betrekking tot de toeslagenaffaire zou regelen. De rechtbank begrijpt dat eiser daarmee doelt op deze zaak, het verzoek bij de commissie werkelijke schade, de integrale beoordeling en een andere afwijzing overname private schulden. Eiser dacht dat zijn advocaat ook deze zaak voor hem zou regelen, maar dat blijkt dus niet het geval te zijn.
8. Naar het oordeel van de rechtbank is dit is geen geldige reden. Hoewel de rechtbank kan begrijpen dat er bij eiser verwarring is ontstaan door de verschillende procedures die nog lopen, maakt dat niet dat aan hem geen enkel verwijt kan worden gemaakt voor de te late indiening van dit beroepschrift.
Conclusie
9. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
10. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2023 door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. B.L. Kosterman-Meijer, griffier.
De rechter is verhinderd
om de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/5733
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
Belastingdienst/Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: [A] en [B]).
Zitting
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van verweerder van 18 oktober 2022 op 16 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van verweerder.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna onder de beslissing.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Inleiding
1. Eiser is aangemerkt als gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. Hij heeft aan Sociale Banken Nederland (SBN) een lijst van schulden verstrekt. Daarop staat dat eiser een schuld van € 19.625,60,- heeft aan [bedrijf], de onderneming van zijn broer.
2. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 1 juni 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 oktober 2022 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft – kortgezegd – overwogen dat de schuld niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat hij niet voortvloeit uit een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf van de schuldeiser verrichte rechtshandeling. Het is volgens verweerder een informele schuld aan de broer van eiser. Voor informele schulden geldt de eiser dat deze moeten zijn vastgelegd in een notariële akte of een rechtelijke uitspraak. Nu daar geen sprake van is, kan de schuld niet worden overgenomen, aldus verweerder.
3. Eiser heeft op 16 december 2022 beroep ingesteld tegen het bestreden beluit.
4. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Beoordeling
5. Een beroep moet worden ingediend binnen zes weken nadat het besluit bekend is gemaakt (artikelen 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). In artikel 3:41 van de Awb staat hoe dat bekendmaken gebeurt.
6. In dit geval is het besluit bekendgemaakt op 18 oktober 2022. Het beroepschrift had dus uiterlijk op 29 november 2022 door de rechtbank ontvangen moeten zijn. De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 16 december 2022. Dat is dus te laat. De hoofdregel is dan dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het beroepschrift te laat door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar eiser niets aan kan doen.
7. Eiser heeft op de zitting uitgelegd dat hij zich vergist heeft. Hij dacht dat zijn advocaat al zijn zaken met betrekking tot de toeslagenaffaire zou regelen. De rechtbank begrijpt dat eiser daarmee doelt op deze zaak, het verzoek bij de commissie werkelijke schade, de integrale beoordeling en een andere afwijzing overname private schulden. Eiser dacht dat zijn advocaat ook deze zaak voor hem zou regelen, maar dat blijkt dus niet het geval te zijn.
8. Naar het oordeel van de rechtbank is dit is geen geldige reden. Hoewel de rechtbank kan begrijpen dat er bij eiser verwarring is ontstaan door de verschillende procedures die nog lopen, maakt dat niet dat aan hem geen enkel verwijt kan worden gemaakt voor de te late indiening van dit beroepschrift.
Conclusie
9. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
10. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2023 door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. B.L. Kosterman-Meijer, griffier.
De rechter is verhinderd
om de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.