Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-05-31
ECLI:NL:RBMNE:2023:2870
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,185 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/5267
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 mei 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: G. Gieben)
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder
(gemachtigde: T. Houkes).
Procesverloop
In de beschikking van 25 februari 2022 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] (de woning) voor het belastingjaar 2022 vastgesteld op € 1.358.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2021. Bij deze beschikking heeft verweerder aan eiseres als eigenaar van deze woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
Eiseres is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 19 oktober 2022 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning gehandhaafd.
Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift met een taxatiematrix ingediend.
De zaak is behandeld op de digitale zitting van 12 april 2023. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door een kantoorgenoot van zijn gemachtigde, P. Loijen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, T. Houkes, vergezeld door [A] en [B] (taxateurs).
Overwegingen
Geschil
2. Nu verweerder de door hem in de beschikking vastgestelde waarde niet langer handhaaft, is het beroep gegrond en moet de uitspraak op bezwaar worden vernietigd.
Geschil
4. Op de zitting is eiseres akkoord gegaan dat er geen vergoeding wordt toegekend voor de twee ingediende taxatierapporten, te weten in bezwaar (Phydias) en in beroep (NWWI).
5. Verweerder wijst verder op een uitspraak van Rechtbank Oost – Brabant van 24 februari 2023. De rechtbank overweegt dat deze uitspraak ziet op miscommunicatie tussen twee overheidsinstanties. Dat is een andere situatie dan hier het geval is. Hier heeft verweerder op basis van zijn eigen beoordeling de WOZ-waarde vastgesteld.
Conclusie
6. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren.
7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiseres het door hem betaalde griffierecht moet vergoeden.
8. De kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.266,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting met een waarde per punt van € 296,-, 1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 837,- en een factor 1). Daarbij is de rechtbank voor de beroepsfase in afwijking van het Besluit proceskosten bestuursrecht uitgegaan van een waarde per punt van € 837,-.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
stelt de waarde voor belastingjaar 2022 vast op € 1.050.000.-
vermindert de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.226,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es – de Vries, rechter, in aanwezigheid van A. Kasi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.
Zie de uitspraak van Rechtbank Oost-Brabant van 24 februari 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:797.
Zie het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752.