Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-06-09
ECLI:NL:RBMNE:2023:2713
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
1,241 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/2153
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juni 2023 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
en
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het CBR van 4 april 2023. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
In het bestreden besluit van 4 april 2023 heeft het CBR besloten dat verzoeker een cursus over verantwoord rijgedrag moet volgen. De kosten voor deze cursus moet verzoeker zelf betalen en bedragen € 433,- aan opleggingskosten en € 852,- aan uitvoeringskosten. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen spoedeisend belang is.
2.1.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. In deze zaak gaat het over een financieel belang. Verzoeker moet namelijk in totaal € 1.285,- voor de cursus betalen. Als het gaat over een financieel belang is niet snel sprake van een spoedeisend belang. In principe kan namelijk na afloop van de bodemzaak (in dit geval de bezwaarprocedure) het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden terugbetaald als verzoeker gelijk krijgt, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. Verzoeker heeft niet onderbouwd dat hij in acute financiële nood dreigt te komen. Hij stelt dat het besluit hem mentale, emotionele en financiële schade toebrengt en gevolgen heeft voor zijn werk en persoonlijke verplichtingen. Dit vindt de voorzieningenrechter zonder onderbouwing onvoldoende om acute financiële nood of een andere vorm van spoedeisend belang aan te nemen. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoeker zo snel mogelijkheid duidelijkheid wil over zijn zaak, maar dat levert geen spoedeisend belang op. De conclusie is dan ook dat niet is gebleken van een situatie waarin een spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vereist.
3. Omdat niet is gebleken van een spoedeisend belang, kan een voorlopige voorziening alleen nog worden getroffen als het besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het CBR ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is vooralsnog niet gebleken dat zeer ernstig moet worden getwijfeld aan de juistheid van het door het CBR ingenomen standpunt. Het CBR baseert zijn besluit op informatie van de politie. Uit die informatie blijkt dat verzoeker op 29 maart 2023 de snelheidslimiet heeft overschreden met 57 km/h. De print-screens die verzoeker heeft ingediend (uit het digitale systeem van zijn auto) waaruit zou volgen dat hij de overtreding niet heeft begaan, vindt de voorzieningenrechter zonder diepgaand onderzoek niet overtuigend genoeg om aan de juistheid van de informatie van de politie zeer ernstig te twijfelen. Van een evident onrechtmatig besluit is geen sprake.
Conclusie
4. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2023.
(De griffier is verhinderd de uitspraak
mede te ondertekenen.)
griffier
Voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.