Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-06-09
ECLI:NL:RBMNE:2023:2690
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,318 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/5671
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.H.F. de Jong),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
(gemachtigde: M. Visser).
Inleiding en procesverloop
1. Eiseres heeft bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) aangevraagd
voor de kosten van het eigen risico van haar zorgverzekering. Bij besluit van 19 juni 2020 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Bij besluit van 26 oktober 2022 heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld tegen dit besluit (het bestreden besluit).
2. De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2023 op zitting behandeld. Partijen hebben
zich afgemeld voor de zitting.
Standpunten van partijen
3. Ter onderbouwing van het bestreden besluit voert verweerder aan dat het eigen
risico van de zorgverzekering is gebaseerd op de Zorgverzekeringswet (Zvw). De Zvw is een zogenoemde voorliggende voorziening, als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van Pw. De kosten voor het eigen risico worden beschouwd als incidenteel voorkomende algemene noodzakelijke kosten van het bestaan. Dat betekent dat van een belanghebbende wordt verwacht dat hij deze kosten betaalt uit de bijstandsuitkering. Volgens verweerder is in het geval van eiseres niet gebleken van bijzondere omstandigheden of van zeer dringende redenen om van deze regelgeving af te wijken.
4. Eiseres is het hiermee niet eens. Zij stelt dat de wetgever met de afschaffing van de
regeling ‘Compensatie eigen risico’(Cer) in 2014 heeft beoogd deze materie onder de verantwoordelijkheid van de gemeente te brengen. Verweerder is verplicht om hiervoor een aparte regeling te treffen. Om die reden zou bijzondere bijstand verstrekt moeten worden voor deze kosten. Het standpunt van verweerder dat voor deze kosten geen bijzondere bijstand kan worden verstrekt, berust volgens eiseres nog op jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van vóór de afschaffing van de Cer. Verder wijst zij op de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan de Tweede Kamer van
25 januari 2013. Hierin is onder meer vermeld dat gemeenten een regeling ter vervanging van de Cer moeten maken.
Overwegingen
5. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB is de Zvw (nog steeds) een voorliggende
toereikende en passende voorziening, als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Pw. In de Zwv heeft de wetgever een verplichte eigen risico opgenomen. Ook verweerder heeft in zijn regelgeving de Zvw als voorliggende voorziening aangemerkt, waardoor er geen aanspraak bestaat op bijzondere bijstand voor noodzakelijke medische kosten. Uit één en ander vloeit voort dat verweerder terecht aan eiseres geen bijzondere bijstand voor de kosten van het eigen risico van haar zorgverzekering heeft verleend.
6. De hiervoor genoemde brief van 25 januari 2012 brengt hierin geen verandering. In
deze brief is immers geen aanknopingspunt te vinden voor het oordeel dat gemeenten gehouden zijn de hier bedoelde kosten in aanmerking te laten komen voor vergoeding op grond van de bijzondere bijstand.
7. De beroepsgrond van eiseres slaagt niet.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit overeind blijft.
Voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling en een verplichting tot terugbetaling van het griffierecht is geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.M. de Graaf, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie onder meer de uitspraken van 7 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3119 en van
16 augustus 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1901.
Zie artikel 13 van de Richtlijnen beleid bijzondere bijstand gemeente Utrecht.