Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-05-30
ECLI:NL:RBMNE:2023:2618
Strafrecht; Strafprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,989 tokens
Dictum
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. J. Visscher, advocaat te Amersfoort (Arnhemseweg 11, 3811 NN Amersfoort),
hierna te noemen: de veroordeelde.
Het bezwaarschrift is in raadkamer met gesloten deuren behandeld op 16 mei 2023.
Gehoord zijn de officier van justitie en de raadsman van veroordeelde. Veroordeelde is, alhoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Veroordeelde maakt bezwaar tegen het bepalen van zijn DNA-profiel en de verwerking daarvan in een DNA-databank.
De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van het dossier in de strafzaak tegen veroordeelde als verdachte (met bovenvermeld parketnummer) en van voornoemd bezwaarschrift.
De rechtbank gaat bij de beoordeling van het onderhavige bezwaarschrift uit van de volgende feiten en omstandigheden:
1. op 10 november 2022 is veroordeelde door de politierechter van deze rechtbank veroordeeld ter zake van (t.a.v. feit 1 subsidiair):
een ander door een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk
dwingen iets te dulden, meermalen gepleegd,
tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;
2. op 30 november 2022 is door de officier van justitie een bevel tot afname van DNA-materiaal gegeven;
3. op 3 januari 2023 is bij veroordeelde celmateriaal afgenomen.
Overwegingen
Namens veroordeelde heeft de raadsman aangevoerd dat het bevel op grond van artikel 2 van de Wet niet gegeven had mogen worden. Het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde zal niet van betekenis kunnen zijn voor de toekomstige voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten, gelet op de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd. Veroordeelde is deels vrijgesproken van het tenlastegelegde en is slechts deels veroordeeld. Bovendien is deze veroordeling nietonherroepelijk en een incident waarbij het gelet op de aard volstrekt onaannemelijkis dat het zich nogmaals gaat voordoen. Er is sprake van een incident in de huiselijkesfeer wat door veroordeelde is bekend. Tegen die achtergrond is sprake van het ontbreken van enig herhalingsgevaar. Bovendien is van belang dat niet valt in te zien in hoeverre geziende feiten en omstandigheden het DNA-profiel op enigerlei wijze een rol van betekeniszou kunnen spelen in dezen. De opslag van DNA-materiaal en de bepaling, verwerking en opslag van DNA-profielen maakt voorts inbreuk op het in artikel 8 EVRM vervatte recht op privacy.
Daarnaast is veroordeelde niet, althans niet kenbaar, voorgelicht over de mogelijkheid tot het maken van bezwaar tegen afname van celmateriaal door een ander dan door een arts ofverpleegkundige. Derhalve is niet voldaan aan het bepaalde in art. 5 lid 3 Wdov jo art. 3lid 3 Besluit DNA-onderzoek in strafzaken.Reeds op deze grond dient het bezwaarschrift gegrond te worden verklaard.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat niet blijkt van enige uitzondering op grond van de Wet, zodat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard.Blijkens het op 3 januari 2023 op ambtseed opgemaakte proces-verbaal heeft veroordeelde geen bezwaar gemaakt tegen afname door deze daartoe gecertificeerde en aangewezen opsporingsambtenaar in plaats van afname door een arts of verpleegkundige. Veroordeelde heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit aannemelijk wordt dat ten aanzien van de bevoegdheid van de afnemer voorschriften zouden zijn geschonden.
Ook de stelling dat het vonnis niet onherroepelijk is treft geen doel. Op grond van artikel 1 lid 1 onder C Wet DNA is immers voor een bevel tot DNA-afname niet vereist dat er sprake is van een onherroepelijk vonnis.
Het wettelijk uitgangspunt is dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Wet DNA wordt afgenomen. Dit kan slechts achterwege blijven indien veroordeelde een beroep op een van de twee limitatieve uitzonderingsgronden toekomt. In deze zaak is dat niet aan de orde, aldus de officier van justitie.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat veroordeelde valt onder de definitie van veroordeelde als bedoeld in artikel 1 sub c van de Wet en dat artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht, waarvoor veroordeelde is veroordeeld, valt onder de categorie misdrijven als bedoeld in artikel 67 eerste lid 1 Sv, zodat artikel 2, eerste lid aanhef van de Wet toepassing vindt.
Uitgangspunt van de Wet is dat dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich een van de in de Wet genoemde uitzonderingen voordoet. Voor een verdere belangenafweging is in het systeem van de Wet geen plaats.
De Wet noemt in artikel 2, eerste lid, twee uitzonderingscategorieën, namelijk (onder a) dat reeds een DNA-profiel van deze persoon is verwerkt en (onder b) dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde.
Bij de beoordeling van het onderhavige bezwaarschrift staat de vraag centraal of zich een uitzonderingssituatie voordoet als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder b van de Wet.
Zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf ‘aard van het misdrijf’ op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing. De maatstaf ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ hangt samen met de persoon van veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens een misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd.
De rechtbank is van oordeel dat hetgeen van de kant van veroordeelde is aangevoerd, tot de conclusie leidt dat in dit geval sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder b van de Wet en overweegt daartoe in het bijzonder dat er sprake was van een incident in de huiselijke sfeer, waarbij veroordeelde voor een langere periode en zonder
medeweten van zijn toenmalige echtgenote, lustopwekkende middelen in haar drankjes heeft
gedaan, wat hij heeft bekend. De rechtbank is - met de raadsman - van oordeel dat het gelet op de aard en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, onaannemelijk is dat het zich nogmaals gaat voordoen. Uit het reclasseringsadvies van 29 september 2022 is gebleken dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat daar veroordeelde inmiddels sinds geruime tijd geen contact meer zoekt met zijn ex-partner en doordrongen is van de ernst van de situatie. Hij heeft op vrijwillige basis hulp gezocht voor zijn problemen en is intrinsiek gemotiveerd voor gedragsverandering.
Het bezwaarschrift zal daarom gegrond worden verklaard.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het bezwaar gegrond;
- beveelt de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het celmateriaal van veroordeelde terstond wordt vernietigd.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 30 mei 2023 door mr. E.H.M. Druijf, rechter, als lid van de enkelvoudige raadkamer, in tegenwoordigheid van mr. V. Soeteman, griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.