Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-05-24
ECLI:NL:RBMNE:2023:2375
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,134 tokens
Inleiding
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/531606 / HA ZA 22-2
Vonnis van 24 mei 2023
in de zaak van
de stichting
STICHTING BREIN,
gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudende te Hoofddorp,
eiseres,
verder te noemen BREIN,
advocaten: mrs. D.J.G. Visser en P. de Leeuwe,
tegen
[gedaagde]
,
met een onbekende woon- en verblijfplaats binnen en buiten Nederland,
gedaagde,
verder te noemen [gedaagde] ,
niet verschenen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 8 maart 2023.
1.2.
Het (eind)vonnis is bepaald op vandaag.
2Inleiding
2.1.
In het tussenvonnis van 8 maart 2023 heeft de rechtbank BREIN een aantal bevelen opgelegd ter zake de wettelijk voorgeschreven mededelingen zoals opgenomen in artikel 1018f Rv. De groep personen wiens belangen BREIN behartigt (de rechthebbenden op de entertainmentcontent van de IPTV-pakketten), is in de gelegenheid gesteld om op uiterlijk 10 mei 2023 een opt-out verklaring uit te brengen. De rechtbank heeft geen opt-out verklaringen ontvangen. Dit is op 12 mei 2023 per e-mail aan BREIN medegedeeld. In dit vonnis komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van BREIN.
Beoordeling
3.1.
BREIN vordert dat de rechtbank [gedaagde] beveelt om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis al datgene te doen wat nodig is om de domeinnamen [website 1] , [website 2] en [website 3] op de daartoe geëigende wijze over te dragen aan BREIN, dit op kosten van [gedaagde] en met gelijktijdige toezending aan de advocaten van BREIN van een kopie van alle correspondentie ter zake met de desbetreffende instanties. Voor het geval [gedaagde] hieraan niet voldoet, vordert BREIN dat dit vonnis in de plaats treedt van de benodigde medewerking van [gedaagde] .
3.2.
De vorderingen komen niet onrechtmatig en/of ongegrond voor en worden daarom toegewezen.
3.3.
BREIN heeft geen proceskosten gevorderd, maar de rechtbank zal [gedaagde] ambtshalve veroordelen tot betaling van de proceskosten ingevolge artikel 237 Rv. Deze zaak gaat weliswaar over de handhaving van intellectuele eigendomsrechten, maar de rechtbank kan [gedaagde] niet ambtshalve veroordelen tot betaling van de proceskosten op grond van artikel 1019h Rv. Daarom wordt uitgegaan van het liquidatietarief. Dat was overigens niet anders geweest als de proceskosten op grond van artikel 1019h Rv zouden worden toegewezen. Deze zaak is namelijk niet bewerkelijk en bij dergelijke zaken wordt bij de begroting van de proceskosten op grond van 1019h Rv ook uitgegaan van het liquidatietarief. Aan salaris advocaat wordt een bedrag van € 897,00 (1,5 punt x € 598,00) toegewezen. Daarnaast wordt een bedrag van € 676,00 aan griffierecht toegewezen en een bedrag van € 112,82 aan kosten voor de dagvaarding. In totaal wordt dus een bedrag van € 1.685,82 toegewezen aan proceskosten.
Dictum
De rechtbank
4.1.
beveelt [gedaagde] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis al datgene te doen wat nodig is om de domeinnamen [website 1] , [website 2] en [website 3] op de daartoe geëigende wijze over te dragen aan BREIN, dit op kosten van [gedaagde] en met gelijktijdige toezending van een kopie van alle correspondentie ter zake met de desbetreffende instanties aan de advocaten van BREIN;
4.2.
bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de benodigde medewerking van [gedaagde] , als [gedaagde] niet voldoet aan de veroordeling onder 4.1;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van BREIN tot dit vonnis begroot op € 1.685,82;
4.4.
draagt de griffier op van dit vonnis aantekening te maken in het centraal register voor collectieve vorderingen, in de map “collectieve vordering tegen gedaagde” van 6 december 2021;
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af;
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. ter Meulen en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2023.