Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-04-11
ECLI:NL:RBMNE:2023:1822
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,793 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 22/5705 en UTR 22/5834
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 april 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. P. Figge),
en
de burgemeester van de gemeente Almere, de burgemeester
(gemachtigde: mr. M. Telderman en mr. L.M. Rutten).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen het besluit van 4 december 2022 tot het opleggen van een huisverbod als bedoeld in artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth) en tegen het besluit van 14 december 2022 tot verlenging van dat huisverbod.
Dit tijdelijk huisverbod is ingegaan op 4 december 2022, en heeft betrekking op de woning aan de [adres] in [plaats] . De burgemeester heeft het huisverbod in het besluit van 14 december 2022 verlengd tot 1 januari 2023, 20:28 uur.
De burgemeester heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 17 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de burgemeester.
Verder waren de vriendin en de schoonvader van eiser aanwezig.
Beoordeling
Procesbelang
1. Aangezien de termijn waarvoor het huisverbod en de verlenging geldt, is verstreken, bespreekt de rechtbank eerst de vraag over het procesbelang.
2. De rechtbank volgt de burgemeester niet in het standpunt in de stukken dat nu de huisverboden zijn geëindigd en eiser geen schadevergoeding vordert, hij daarom geen procesbelang meer heeft. Naar het oordeel van der rechtbank heeft eiser nog een rechtens te beschermen belang bij een uitspraak op zijn beroepen, nu het huisverbod, gelet op de gronden waarop het huisverbod wordt opgelegd, een publiekelijke afwijzing van het gedrag van de uithuisgeplaatste impliceert. Om die reden is het tot op zekere hoogte aannemelijk dat eiser als gevolg van het hem opgelegde huisverbod in zijn eer en goede naam is geschaad. Naar het oordeel van de rechtbank kan het resultaat dat eiser nastreeft, te weten vernietiging van deze besluiten, om die reden voor hem van meer dan principiële betekenis zijn. De burgemeester heeft dit ter zitting ook onderkend. Eiser is daarom ontvankelijk in zijn beroepen.
Goede procesorde
3. Eiser heeft tijdens de behandeling op zitting nog een e-mail van 17 maart 2023 van zijn zus overgelegd. De burgemeester heeft daar niet meer adequaat op kunnen reageren. Eiser heeft niet gemotiveerd waarom hij deze e-mail niet eerder kon overleggen. De rechtbank laat de e-mail daarom, vanwege de goede procesorde, buiten beschouwing, en zal in het onderstaande alleen ingaan om hetgeen over deze e-mail mondeling ter zitting is besproken.
Het (verlengde) huisverbod
4. Artikel 2 van het Besluit tijdelijk huisverbod bepaalt dat de burgemeester bij de afweging of een huisverbod wordt opgelegd uitsluitend let op feiten en omstandigheden die in de bijlage bij het Besluit zijn opgenomen. De burgemeester laat zich verder adviseren door deskundigen die, voor hun oordeel of bij (mogelijk) huiselijk geweld een huisverbod moet worden opgelegd, een Risico-taxatie instrument Huiselijk Geweld (RiHG) invullen.
5. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wth kan het huisverbod worden verlengd als de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.
6. Volgens de rechtspraak van de Afdeling is het opleggen van een huisverbod een ingrijpend instrument waarvan de toepassing zeer grote gevolgen heeft voor het privéleven van alle betrokkenen. De bevoegdheid om zo’n huisverbod op te leggen, is daarom beperkt tot situaties waarin voldoende grond aanwezig is om aan te nemen, of ernstig te vermoeden, dat zich een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen voordoet. Als dat het geval is, moet de burgemeester zorgvuldig overwegen of aanwending van de bevoegdheid nodig is. Als het geval is, moet de burgemeester vervolgens zorgvuldig overwegen of het aanwenden van die bevoegdheid aangewezen is (de belangenafweging).
7. Gelet op de aard van een huisverbod, dat altijd in spoedeisende situaties wordt opgelegd, is niet vereist dat de juistheid van de aan het huisverbod ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden onomstotelijk vaststaat. Voldoende is dat aannemelijk is dat die feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan en een ernstig en onmiddellijk gevaar dan wel een ernstig vermoeden van een dergelijk gevaar voor de in het besluit genoemde personen opleveren.
8. Het (verlengde) huisverbod houdt een contactverbod in van eiser met zijn moeder, [moeder] . Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op het moment van het huisverbod in de woning van moeder woonde. Wel is tussen partijen in geschil of de burgemeester bevoegd was het huisverbod op te leggen en te verlengen, en dus of sprake was van een ernstig en onmiddellijk dreigend gevaar dan wel een ernstig vermoeden daartoe. Ook is tussen partijen in geschil of de burgemeester – indien en voor zover daartoe bevoegd – van die bevoegdheid in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken.
9. Eiser voert hiertoe aan dat er geen sprake is geweest van (ernstige) bedreiging van zijn moeder. Volgens eiser spreekt zijn moeder niet de waarheid en heeft de burgemeester geen goed onderzoek gedaan naar de feiten. Eiser stelt dat hij zijn moeder niet heeft bedreigd met een vuurwapen en dat zij wel degelijk zeggenschap heeft in haar eigen woning. Eiser stelt dat hij niet afhankelijk is van alcohol en dat hij geen verdovende middelen gebruikt. De besluiten tot oplegging van het (verlengde) huisverbod zijn daarom onzorgvuldig tot stand zijn gekomen en niet goed gemotiveerd. Eiser heeft verder aangevoerd dat zijn belangen niet goed zijn meegewogen.
Was de burgemeester bevoegd tot het opleggen van het huisverbod?
10. De rechtbank is, anders dan eiser, van oordeel dat de burgemeester bevoegd was om het huisverbod op te leggen. De burgemeester heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat op 3 december 2022 in de avond sprake was van een ernstig vermoeden van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de personen die in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.
11. De rechtbank vindt hiervoor redengevend dat uit de opname van de situatie ter plaatse, de risicotaxatie in de RiHG en het proces-verbaal van bevindingen van 4 december 2022 blijkt dat op de bewuste avond eiser zijn moeder van 82 jaar met de dood heeft bedreigd, omdat hij het niet eens was met haar verzoek om de woning te verlaten. Ook blijkt uit deze stukken dat eiser in de politiesystemen staat geregistreerd met geweldsdelicten, vermogensdelicten, zedendelicten en drugsdelicten. Eiser is afhankelijk van alcohol en er zijn sterke vermoedens dat hij ook andere verdovende middelen gebruikt. De moeder heeft verklaard dat zij vaker door eiser is bedreigd, zelfs eenmaal met een vuurwapen of een daarop lijkend voorwerp en dat zij eiser ook in staat acht om de bedreigingen uit te voeren. De dochter heeft verklaard dat zij er toentertijd getuige van is geweest van dat eiser een vuurwapen of een daarop lijkend voorwerp tegen het hoofd van zijn moeder heeft gezet. Eiser heeft schulden en de moeder is bang om eiser geen geld te geven. De moeder is gezien haar leeftijd en broze gezondheid niet weerbaar is, dat zij al jaren fysiek en mentaal lijdt onder de (verbale) agressie van haar zoon en dat deze agressie is toegenomen sinds eiser bij haar woont. Tot slot blijkt uit de risicotaxatie dat op alle drie de screeningsonderwerpen er sprake is van een hoog risico.
12. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat zijn vriendin bij het voorval op 3 december 2022 aanwezig was en dat zij de door de moeder geschetste gang van zaken weerspreekt. Volgens de vriendin spreekt de moeder niet de waarheid. De rechtbank kan aan deze verklaring van de vriendin geen waarde toekennen, nu uit geen van de stukken blijkt dat de vriendin op de bewuste avond van 3 december 2022 in de woning van de moeder aanwezig was. Aan de op zitting voorgelezen verklaring van de zus in de e-mail, dat er geen sprake is geweest van bedreiging zoals de moeder heeft verklaard, kan de rechtbank niet dezelfde waarde toekennen als eiser dat wenst. Daargelaten dat die verklaring niet is ondertekend, blijkt uit de stukken dat de zus niet aanwezig was bij het voorval op 3 december 2022 en staat haar nieuwe verklaring haaks op haar verklaringen, opgenomen in de risicotaxatie en het proces-verbaal.
13. De rechtbank vindt het daarom aannemelijk dat de feiten en omstandigheden vermeld in de risicotaxatie en in het proces-verbaal zich hebben voorgedaan. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester zich op basis van die feiten en omstandigheden op het standpunt heeft mogen stellen dat er sprake is van een ernstig en onmiddellijk gevaar, dan wel een ernstig vermoeden van een dergelijk gevaar, voor de moeder van eiser.
Heeft de burgemeester in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid ?
14.
Conclusie
17. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 11 april 2023 door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken.
griffier
rechter
Een afschrift van de uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de waarop de uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 mei 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM4973 en van de uitspraak van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1166.
Zie onder meer in de uitspraak van 18 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1268.
zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2906, onder 2.2.