Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2022-11-16
ECLI:NL:RBMNE:2022:6054
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,586 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/2071
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 november 2022 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J.L.W. Kreeft),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laren , verweerder
(gemachtigde: H. de Bree).
Inleiding
In het besluit van 26 juli 2021 (primair besluit 1) heeft verweerder beslist om het recht op bijstand van eiser op grond van de Participatiewet (Pw) te herzien over de periode van 1 februari 2020 tot en met 30 juni 2021 en dat het recht op bijstand in de maanden juli 2020 en september 2020 niet is vast te stellen.
In het besluit van 28 juli 2021 (primair besluit 2) heeft verweerder beslist om het recht op bijstand te herzien op grond van artikel 54, derde lid van de Pw in de periode van 1 februari 2020 tot en met 30 juni 2020, over de maand augustus 2020 en in de periode van 1 november 2020 tot en met 31 maart 2021. Daarnaast heeft verweerder de uitkering ingetrokken over de maanden juli 2020 en september 2020 en over de periode van 1 april 2021 tot en met mei 2021. Op grond van artikel 58, eerste lid van de Pw heeft verweerder beslist om de te veel betaalde bijstand terug te vorderen zijnde een bedrag van € 12.694,10 bruto over de periode van februari 2020 tot en met december 2020 en € 1.071,95 netto over de periode januari 2021 tot en met maart 2021.
Met het bestreden besluit van 8 april 2022 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 22 september 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Wat aan deze zaak vooraf ging
1. Eiser ontvangt sinds 1 februari 2020 een bijstandsuitkering. In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek heeft verweerder eiser, onder andere, gevraagd afschriften van zijn bank- en spaarrekeningen over te leggen. Dat heeft eiser gedaan. Op grond van die afschriften heeft verweerder geconstateerd dat eiser in de periode van 1 februari 2020 en 30 juni 2021 meerdere stortingen op zijn rekening heeft ontvangen van [moeder] (eisers moeder), [vader] (eisers vader) en [A] . Verder heeft eiser drie keer (aanzienlijke) contante bedragen op zijn rekening gestort. Eiser heeft van al deze stortingen geen melding gemaakt bij verweerder. Verweerder heeft de ontvangsten uiteindelijk aangemerkt als inkomen en heeft per maand dat eiser een bijstandsuitkering heeft ontvangen vastgesteld dat eiser teveel bijstand heeft ontvangen dan wel geen recht had op bijstand. Verweerder heeft het recht op een bijstandsuitkering gedeeltelijk herzien en gedeeltelijk ingetrokken en teruggevorderd vanaf 1 februari 2020 vanwege schending van de inlichtingenplicht.
Het standpunt van eiser
2. Eiser stelt dat hij niet vrij kon beschikken over de gestorte bedragen en dat verweerder deze daarom niet als inkomen kan aanmerken. Tijdens de coronaperiode deed eiser als mantelzorger boodschappen voor zijn ouders en kreeg hij van hen vooraf een rond bedrag op zijn rekening gestort. Dat zijn ouders het vooraf betaalde bedrag niet wilden verrekenen met het daadwerkelijke aan de boodschappen bestede bedrag kan niet eiser worden aangerekend. Het verschil is volgens eiser slechts enkele euro’s. Het geld dat hij van [A] ontving, betreft vergoedingen voor de kosten die eiser heeft gemaakt in het kader van zijn vrijwilligerswerk voor [bedrijf 1] dat een onderneming van [A] is. Het gaat dus niet om bedragen die eiser heeft kunnen aanwenden voor zijn levensonderhoud. Verder voert eiser aan dat hij geen geld heeft verdiend aan de schilderijen die hij namens [bedrijf 2] heeft verkocht. Uit de bankafschriften kan wellicht worden afgeleid dat eiser provisie heeft ontvangen maar dat is niet juist.
Het toetsingskader
3. De hoogste rechter in dit soort zaken heeft bepaald dat bedragen die door een derde zijn overgemaakt op de bankrekening van degene die bijstand ontvangt, in beginsel worden gezien als middelen. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben en kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is ook sprake van inkomsten. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat dat niet zo is. Als de bijstandsontvanger geen melding maakt van deze inkomsten, dan schendt hij zijn inlichtingenplicht.
4. Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, is de bijstandverlenende instantie verplicht om, als dat kan, op basis van de wel vaststaande feiten schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand heeft. Het eventuele nadeel voor de betrokkene dat voortvloeit uit de resterende onzekerheden, komt daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor zijn rekening.
Het onderzoek
5. Voor zover eiser ter zitting heeft gesteld dat het onderzoek van verweerder onzorgvuldig is geweest omdat de procedure rommelig is verlopen, volgt de rechtbank dit niet omdat eiser zijn stelling onvoldoende concreet heeft onderbouwd.
De herziening, intrekking en terugvordering
6. De rechtbank stelt vast dat de hier te beoordelen periode loopt van 1 februari 2020 tot en met 30 juni 2021. Ook stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat in deze periode meerdere bedragen zijn gestort op eisers bankrekening, dat derden bedragen hebben bijgeschreven op zijn bankrekening en dat eiser hiervan bij verweerder geen melding heeft gemaakt.
7. De stelling van eiser dat verweerder ten onrechte de bijstand heeft herzien en de kosten van bijstand heeft teruggevorderd omdat de onder 1. en 2. genoemde bedragen niet kunnen worden aangemerkt als inkomen, volgt de rechtbank niet. Als eerste zal de rechtbank de intrekking van het recht op bijstand over de maanden juli en september 2020 vanwege de vriendendienst verkoop van schilderijen bespreken. Vervolgens bespreekt de rechtbank of verweerder de uitkering mocht herzien vanwege het boodschappengeld. Tot slot bespreekt de rechtbank de betalingen van [A] aan eiser.
Vriendendienst verkoop schilderijen
8. Verweerder heeft het recht op bijstand voor de maanden juli 2020 en september 2020 ingetrokken omdat niet kan worden vastgesteld of eiser recht op bijstand had in deze maanden. In deze maanden heeft eiser contante bedragen van € 2.806,- (juli) en € 2.900,- (september)op zijn rekening gestort en dezelfde bedragen overgemaakt aan [bedrijf 2] onder vermelding van ‘verkoop schilderijen min provisie’. Het is volgens verweerder niet duidelijk of en hoeveel geld eiser heeft verdiend met de verkoop. Eiser voert aan dat hij als vriendendienst voor [bedrijf 2] schilderijen verkocht en afleverde aan de koper. Volgens eiser betekent de omschrijving op de bankafschriften niet dat hij provisie heeft ontvangen. Ter onderbouwing heeft eiser een verklaring van [B] overgelegd, die eisers standpunt bevestigt.
9. De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen provisie heeft ontvangen omdat de opbrengst van de schilderijen onduidelijk is gebleven. Het had op de weg van eiser gelegen om zijn stelling – dat hij abusievelijk twee keer ‘min provisie’ bij deze bedragen heeft vermeld – te onderbouwen met bijvoorbeeld stukken waaruit blijkt wat het aankoopbedrag is geweest zodat kan worden geverifieerd of eiser inderdaad de volledige verkoopopbrengst heeft overgemaakt aan [bedrijf 2] . De verklaring van. [B] is onvoldoende om het standpunt van eiser te onderbouwen omdat deze geen objectieve controleerbare gegevens bevat. De rechtbank stelt vast dat eiser geen melding heeft gemaakt van de bijschrijving op zijn rekening. Eiser heeft dan ook de inlichtingenplicht geschonden. Nu niet kan worden vastgesteld of en hoeveel geld eiser heeft overgehouden aan de schilderijenverkoop, stelt verweerder terecht dat het recht op bijstand over de maanden juli en september 2020 niet kan worden vastgesteld. Verweerder heeft het recht op bijstand over deze maanden terecht ingetrokken.
Boodschappen voor ouders
10. Verweerder heeft het recht op bijstand op grond van artikel 54, lid 3, van PW herzien over de periode:
- Februari 2020 tot en met juni 2020;
- augustus 2020;
- november 2020 tot en met maart 2021.
Eiser heeft in deze maanden verschillende bedragen van zijn ouders op zijn bankrekening ontvangen. In totaal heeft eiser in deze periode van zijn vader €4.229,50 ontvangen en van zijn moeder € 3.730,- Volgens eiser was dit geld bedoeld voor de boodschappen die hij voor hen deed. Verweerder verwijt eiser niet dat hij boodschappen voor zijn ouders heeft gedaan, maar wel dat de gelden die eiser van hen heeft ontvangen niet ten volle zijn benut voor dat doel.
11. De rechtbank oordeelt dat verweerder het recht op bijstand voor de onder 10. genoemde periodes heeft mogen herzien. De rechtbank stelt voorop dat eiser bij zijn aanvraag om bijstand in februari 2020 door [C] (namens verweerder) al is uitgelegd dat ‘als hij geld van zijn ouders gaat ontvangen en dit is maandelijks, dat dit dan als inkomsten wordt gezien. Hij dient dit dan ook via het statusformulier door te geven’.
12. Verweerder heeft aan de hand van de bankafschriften de bedragen die de ouders van eiser op zijn bankrekening hebben gestort, inzichtelijk gemaakt.
Conclusie
16. De herziening van het recht op bijstand en de daarmee samenhangende terugvordering op grond van hetgeen onder 15. is vastgesteld, kan niet ongewijzigd worden gehandhaafd. Dit betekent dat de rechtbank het beroep van eiser enkel voor zover dit ziet op zijn vrijwilligerswerk gegrond verklaart. Gezien de periode waarin eiser deze onkostenvergoeding heeft ontvangen - van 1 februari 2020 tot en met 31 maart 2021 - is een herberekening van zowel de netto- als de gebruteerde terugvordering vereist. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit in zoverre en draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij verweerder deze uitspraak in acht moet nemen.
17. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Verder krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 759,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.518,- .
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het bestreden besluit enkel voor zover het ziet op de herziening van de bijstand in de periode van 1 februari 2020 tot en met 31 maart 2021 terzake de onkostenvergoeding voor eisers vrijwilligerswerk en voor zover dat ziet op de terugvordering van deze onkostenvergoeding;
-herroept het primaire besluit 1 en 2 voor zover dat ziet op de periode van 1 februari 2020 tot en met 31 maart 2021;
-herziet het recht op bijstand in de periode van 1 februari 2020 tot en met 31 maart 2021 door het bedrag genoemd in rechtsoverweging 15. hierop in mindering te brengen;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak de hoogte van de terugvordering opnieuw te berekenen met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2022.
de griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw.
Zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 19 juli 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1678 en van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450.
Zie bijvoorbeeld een uitspraak van de CRvB van 22 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3351.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 28 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1442.
Zie het onderzoeksverslag aanvraag uitkering levensonderhoud Participatiewet, ondertekend op 11 februari 2020.
Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting.