Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2022-11-25
ECLI:NL:RBMNE:2022:5200
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,785 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/3191
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2022 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen, verweerder
(gemachtigde: V. Staat).
Inleiding en procesverloop
Bij besluit van 29 december 2022 (primair besluit I) heeft verweerder aan eiser een maatregel van 100% opgelegd voor de duur van twee maanden (januari en februari 2022), omdat eiser zich niet heeft gehouden aan een arbeidsplicht. Eisers proefplaatsing bij [bedrijf] is vanwege onvoldoende functioneren niet voortgezet.
Eiser heeft tegen primair besluit I bezwaar ingesteld.
Bij besluit van 23 februari 2022 (primair besluit II) heeft verweerder primair besluit I ingetrokken en besloten om aan eiser een maatregel van 100% op te leggen voor de duur van een maand (januari 2022). Verweerder heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat eiser onvoldoende heeft meegewerkt aan een door verweerder aangeboden voorziening, te weten de proefplaatsing.
In het besluit van 14 juni 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 16 november 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is op 11 mei 2021 als statushouder in de gemeente De Ronde Venen geplaatst. Met ingang van 11 mei 2021 ontving eiser bijstand naar de norm van alleenstaande. Op 21 juni 2021 heeft er een re-integratie intakegesprek met eiser plaatsgevonden. Vervolgens is er diezelfde dag een plan van aanpak voor eiser opgesteld. Op 18 augustus 2021 is er aan eiser een jobcoach toegekend. Op 29 september 2021 heeft de jobcoach aan eiser medegedeeld dat hij per 11 oktober 2021 mag starten met een proefplaatsing bij [bedrijf] . Eiser heeft vervolgens aangegeven dat zijn gezin naar Nederland komt, hij daardoor een nieuwe woning heeft en hij tijd wil hebben om die in te richten. Daarom is de proefplaatsing verplaatst naar 18 oktober 2021. Op 18 oktober 2021 heeft eiser medegedeeld nader uitstel te willen. Vervolgens heeft er een gesprek op 20 oktober 2021 plaatsgevonden tussen eiser en zijn jobcoach en klantmanager. Naar aanleiding van dit gesprek is besloten dat de proefplaatsing van eiser start op 21 oktober 2021 van 08:30 tot 12:45 uur. Vanaf 22 oktober 2021 worden de normale werkuren gehanteerd.
2. Nadat verweerder van [bedrijf] signalen ontving dat eiser een terneergeslagen en ongemotiveerde indruk achterlaat heeft er op 4 november 2021 een gesprek plaatsgevonden met eiser, de jobcoach en een manager van [bedrijf] . Tijdens dit gesprek is met eiser afgesproken dat er wekelijks een evaluatie zal plaatsvinden en dat eiser zou worden gekoppeld aan een Arabisch sprekende collega. Bij brief van 9 november 2021 is dit richting eiser vastgelegd. Op 7 december 2021 heeft [bedrijf] besloten om de proefplaatsing niet te verlengen.
3. Bij primair besluit I heeft verweerder aan eiser een maatregel van 100% opgelegd voor de duur van twee maanden (januari en februari 2022), omdat eiser zich niet heeft gehouden aan een arbeidsplicht. Eisers proefplaatsing bij [bedrijf] is vanwege onvoldoende functioneren niet voortgezet. Bij primair besluit II heeft verweerder primair besluit I ingetrokken en heeft verweerder besloten om aan eiser een maatregel van 100% op te leggen voor de duur van een maand (januari 2022). Verweerder heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat eiser onvoldoende heeft meegewerkt aan een door verweerder aangeboden voorziening, te weten de proefplaatsing.
4. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of verweerder terecht de bijstandsuitkering van eiser heeft verlaagd met 100% gedurende één maand.
5. Op grond van artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h, van de Participatiewet (Pw) verlaagt het college in ieder geval de bijstand overeenkomstig het vijfde, zesde, zevende of achtste lid van deze bepaling ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de verplichting om gebruik te maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Op grond van het negende lid van dit artikel ziet het college af van het opleggen van een maatregel, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
6. Artikel 10 van de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ De Ronde Venen 2015 (de Verordening) bepaalt dat als een belanghebbende een verplichting bedoeld in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h, van de Pw niet nakomt, het college een maatregel oplegt van 100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden.
7. De rechtbank is van oordeel dat het niet verlengen van de proefplaatsing bij [bedrijf] kan worden gezien als het niet nakomen door eiser van de verplichting om gebruik te maken van door het college aangeboden voorzieningen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h, van de Pw. Verweerder was daarom in beginsel verplicht de bijstand van eiser op grond van artikel 18, vijfde lid, van de Pw en artikel 10 van de Verordening te verlagen met 100% gedurende twee maanden. Dit is slechts anders indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, in welk geval verweerder op grond van artikel 18, negende lid, van de Pw dient af te zien van het opleggen van een maatregel.
8. Eiser stelt zich in dit kader op het standpunt dat verweerder in redelijkheid geen maatregel aan hem heeft kunnen opleggen. Eiser voert in dit kader aan dat verweerder te snel heeft ingezet op betaald werk, terwijl in eerste instantie was afgesproken dat eiser eerst basaal Nederlands moest leren. Ook is er van tevoren geen medisch onderzoek verricht. Het is niet redelijk om eiser te verwijten dat hij niet eerder heeft gemeld dat het werk voor hem medisch ongeschikt was. Eiser heeft tijdens het eerste gesprek al aangegeven dat hij medische beperkingen had.
9. De rechtbank stelt vast dat uit de dossierstukken blijkt dat de proefplaatsing per 7 december 2021 is beëindigd vanwege de volgende redenen:
Beperkingen t.a.v. dynamisch handelen. Eiser heeft aantoonbaar moeite met hanteren gewichten, tillen/dragen, dozen verplaatsen, stapelen, in/om/uitpakken van producten.
Werktempo blijft achter ten opzichte van andere werknemers. Dit hangt deels samen met de beperking.
Sociaal functioneren in werk. Eiser heeft een zeer matige beheersing van de Nederlandse taal en is terughoudend in contact. Ook in functioneel taalgebruik is eiser matig waardoor opdrachten niet of onvoldoende begrepen worden.
Storend en veelvuldig telefoongebruik tijdens werk.
Dient meer interesse en initiatief te tonen in het werk (blijft aandachtspunt ook in houding). Hierin zijn door gesprekken en coaching kleine stapjes gemaakt, maar bij een toekomstig bedrijf dient van meet af aan inzet te worden getoond.
10. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het voorgaande niet kan worden gezegd dat eiser geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Daargelaten de vraag of eiser zelf melding had moeten maken van zijn medische beperkingen ten aanzien van het werk, overweegt de rechtbank dat ook het gedrag van eiser, waaronder het veelvuldige telefoongebruik tijdens werk, een van de redenen vormt waarom zijn proefplaatsing niet is verlengd. Niet valt in te zien waarom dit eiser niet zou zijn te verwijten.
11. Eiser voert verder aan dat verweerder niet in redelijkheid kon menen dat er geen zwaarwegende redenen zijn om van een verlaging af te zien. Het is niet duidelijk of verweerder de rechten van het gezin van eiser ook in de overweging is betrokken. Verder is niet duidelijk of verweerder heeft betrokken dat eiser een nieuwkomer is die enkele weken na zijn eerste taalles direct aan het werkt is gezet op een medisch ongeschikte werkplek.
12. De rechtbank leidt uit deze gronden af dat eiser stelt dat er dringende reden zijn om af te zien van het opleggen van de maatregel. De rechtbank overweegt dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat de invulling van het begrip dringende redenen gelet op bijzondere omstandigheden in het tiende lid van artikel 18 van de Pw niet beperkt is tot de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een maatregel heeft voor de betrokkene gelet op diens persoonlijke omstandigheden. Deze invulling is ruimer en omvat mede een beoordeling van de omstandigheden, de mogelijkheden en middelen van betrokkene. Deze invulling volgt ook uit het door de wetgever uitdrukkelijk voorgestane individualiseringsbeginsel bij een op te leggen maatregel. Dit betekent dat het begrip dringende redenen in overeenstemming met de wetsgeschiedenis van deze bepaling, anders en ruimer moet worden opgevat dan het begrip dringende redenen zoals tot uitdrukking komt in de vaste rechtspraak over toepassing van bijvoorbeeld artikel 18a, zevende lid, en artikel 58, achtste lid, van de Pw. Anders dan bij toepassing van deze bepalingen, heeft verweerder daarbij beoordelingsvrijheid ten aanzien van de vraag of, gelet op bijzondere omstandigheden, van dringende redenen sprake is.
13.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van L.S. Lodder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Zie in dit kader de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3670.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3266.
De rechtbank verwijst in dit kader naar de Memorie van Toelichting, Tweede Kamer Tweede 2013-2014, 33801 nr. 3.