Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2022-11-18
ECLI:NL:RBMNE:2022:4657
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,353 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/1921
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 november 2022 in de zaak tussen
[eiseres] , gevestigd in [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. T.D. Rijs),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (het college)
(gemachtigde: mr. J. Hillenaar).
Inleiding
Op 20 november 2020 heeft eiseres bij het college een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een schoorsteen op het adres [adres] in [plaats] . Het pand waarop de schoorsteen zal worden geplaatst is eigendom van de [bedrijf] . Eiseres is de energieleverancier.
Met een besluit van 29 januari 2021 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiseres buiten behandeling gelaten. Volgens het college waren de bij de aanvraag verstrekte gegevens en stukken onvoldoende voor de beoordeling ervan. Eiseres heeft niet (volledig) voldaan aan de uitnodiging van het college om haar aanvraag aan te vullen.
Eiseres is het er niet mee eens dat het college haar aanvraag buiten behandeling heeft gelaten en heeft daarom bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Met het bestreden besluit van 18 maart 2022 op het bezwaar van eiseres is het college bij het primaire besluit gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiseres en van het college.
Beoordeling
1. De rechtbank beoordeelt of het college de aanvraag van eiseres terecht buiten behandeling heeft gelaten. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2. Op de zitting heeft eiseres haar beroepsgrond dat het formulier dat het college heeft gebruikt om Bibob-informatie op te vragen bij eiseres en [bedrijf] in strijd is met de Regeling Bibob-formulieren ingetrokken. De rechtbank zal deze beroepsgrond daarom niet beoordelen in deze uitspraak.
Is de schoorsteen in strijd met de bouwregels uit het bestemmingsplan?
3. De eerste beroepsgrond die eiseres aanvoert is dat de schoorsteen niet in strijd is met de bouwregels uit het voor het bouwplan geldende bestemmingsplan. Daarom heeft het college volgens eiseres ten onrechte aan haar gevraagd om een ruimtelijke onderbouwing aan te leveren waaruit blijkt dat de schoorsteen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
4. De rechtbank is het hiermee eens. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
5. Partijen zijn het er over eens, en de rechtbank stelt ook vast, dat het pand waarop de schoorsteen zal worden geplaatst op grond van het bestemmingsplan ‘ [locatie] ’ (het bestemmingsplan) de bestemming ‘Centrum’ heeft. De maximaal toegestane bouwhoogte van gebouwen met deze bestemming bedraagt ter plaatse 10 meter. Door eiseres wordt niet betwist dat de schoorsteen hoger zal worden dan 10 meter. Maar de rechtbank is met eiseres van oordeel dat bij het bepalen van de bouwhoogte van het gebouw een schoorsteen niet mag worden meegerekend. De bouwhoogte van een gebouw wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze planregel duidelijk: bij het bepalen van de bouwhoogte van een gebouw worden schoorstenen niet meegerekend. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) vereist de rechtszekerheid dat wordt uitgegaan van wat in het bestemmingsplan is bepaald. Als de planregel duidelijk is, is er geen aanleiding om daar een ruimere interpretatie aan te geven. De rechtbank volgt het college dan ook niet in haar standpunt dat schoorstenen bij het bepalen van de bouwhoogte van het gebouw alleen buiten beschouwing worden gelaten als de betreffende schoorsteen kan worden aangemerkt als een ondergeschikt bouwonderdeel. Als schoorstenen ook geen ondergeschikt bouwonderdeel kunnen zijn, had de planwetgever dat in de tekst van het bestemmingsplan moeten opnemen. Volgens de tekst van het bestemmingsplan is een schoorsteen naar zijn aard een ondergeschikt bouwonderdeel en is er dus geen ruimte om de hoogte van een schoorsteen te betrekken bij het bepalen van de bouwhoogte van een gebouw.
6. Omdat de schoorsteen niet mag worden betrokken bij het bepalen van de bouwhoogte van het gebouw, wordt met het plaatsen van de schoorsteen niet de maximaal toegestane bouwhoogte van 10 meter overschreden. De schoorsteen is niet in strijd met het bestemmingsplan en dus hoefde eiseres bij haar aanvraag geen ruimtelijke onderbouwing te overleggen. Het college heeft dit in het bestreden besluit ten onrechte niet onderkend. Naar het oordeel van de rechtbank kleeft aan het bestreden besluit daarom een motiveringsgebrek. Welk gevolg de rechtbank aan dit gebrek verbindt zal zij aan het einde van de uitspraak vermelden. Zij zal hieronder eerst de andere beroepsgronden van eisers beoordelen.
7. Gelet op de conclusie van de rechtbank dat de schoorsteen niet in strijd is met het bestemmingsplan, hoeft het college voor deze aanvraag geen gebruik te maken van de bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen voor het handelen in strijd met het bestemmingsplan. Daarom zal de rechtbank geen oordeel geven over de vraag of het college wel of niet bevoegd is om de omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder, a, sub 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in combinatie met artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.
Is de omgevingsvergunning van rechtswege verleend?
8. Eiseres voert verder aan dat het college niet binnen de beslistermijn op haar aanvraag heeft beslist en dat de omgevingsvergunning daardoor van rechtswege is verleend. Op de zitting heeft eiseres hieraan toegevoegd dat het college volgens haar het primaire besluit later heeft genomen dan vier weken nadat de termijn om de aanvraag aan te vullen was verstreken. Volgens eiseres mag het college een gegeven termijn om de aanvraag aan te vullen niet verlengen.
9. De rechtbank is het daar niet mee eens.
10. Uit de conclusie dat de schoorsteen niet in strijd is met het bestemmingsplan volgt dat het college het besluit op de aanvraag van eiseres moet voorbereiden met de reguliere procedure. Het college heeft als deze procedure van toepassing is acht weken om op de aanvraag te beslissen. Deze termijn wordt opgeschort als het college een aanvrager uitnodigt om zijn of haar aanvraag aan te vullen. De opschorting van de beslistermijn eindigt pas op het moment dat de gevraagde aanvullende gegevens compleet zijn aangeleverd.
11. Een besluit om de aanvraag buiten behandeling te laten moet het college binnen vier weken nadat de aanvraag op een uitnodiging daartoe is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken aan de aanvrager bekend maken. Als deze vier weken zijn verstreken dan vervalt de bevoegdheid van het college om de aanvraag buiten behandeling te laten. Het college zal dan inhoudelijk op de aanvraag moeten beslissen. Dat ligt anders als het college voor het verstrijken van die vierwekentermijn de termijn voor aanvulling heeft verlengd.
12. De rechtbank stelt vast dat het college met een mail van 8 december 2020 aan eiseres heeft meegedeeld dat haar aanvraag nog niet volledig was. Het college heeft eiseres in de gelegenheid gesteld om binnen tien werkdagen alsnog een ingevuld Bibob-vragenformulier, ontbrekende gegevens over de activiteit bouwen en een ruimtelijke onderbouwing voor het afwijken van het bestemmingsplan aan te leveren. Ook heeft het college [bedrijf] gevraagd om een ingevuld Bibob-vragenformulier aan te leveren.
12. Omdat eiseres en [bedrijf] het Bibob-vragenformulier niet tijdig hadden ingediend, heeft het college hen op 28 december 2020 een rappelbrief gestuurd en hen nogmaals tien werkdagen de tijd gegeven om de formulieren in te dienen. Naar aanleiding van een mail van eiseres aan het college is deze termijn voor haar nog eens verlengd tot uiterlijk 14 januari 2021. Eiseres heeft op 13 januari 2021 het ingevulde Bibob-vragenformulier met bijlagen bij het college aangeleverd. Ook heeft [naam] namens eiseres op 11 januari 2021 aanvullende informatie ingediend over de activiteit bouwen. [bedrijf] heeft het Bibob-vragenformulier niet ingevuld aan het college geretourneerd. De termijn voor het aanleveren van de informatie over de activiteit bouwen is niet verlengd.
14. De rechtbank is het met eiseres eens dat het college aan het buiten behandeling laten van de aanvraag in het primaire besluit alleen ten grondslag heeft gelegd dat met de aanvullende informatie over de activiteit bouwen slechts gedeeltelijk op de gestelde vragen is geantwoord en dat nog steeds een ruimtelijke onderbouwing ontbreekt. In het bestreden besluit heeft college hier echter aan toegevoegd dat ook de Bibob-informatie niet volledig was. De rechtbank moet het bestreden besluit beoordelen en zal daarom beide grondslagen beoordelen.
15. Het primaire besluit is op 29 januari 2021 genomen. De termijn voor het aanleveren van de aanvullende informatie voor de activiteit bouwen en een ruimtelijke onderbouwing was op die datum al meer dan vier weken verstreken. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het college op grond van het ontbreken van deze gegevens niet meer bevoegd was om de aanvraag buiten behandeling te laten.
Conclusie
21. Zoals onder 6 en 15 is opgenomen, kleven aan het bestreden besluit twee motiveringsgebreken. Daarom zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Maar de rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit omdat het ontbreken van de Bibob-informatie van [bedrijf] voldoende is voor het college om de aanvraag buiten behandeling te laten. Dat betekent dat het college niet inhoudelijk op de aanvraag van eiseres hoeft te beslissen.
22. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.518,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 365,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.518,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr.I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
18 november 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 6.2.1, onderdeel b, van de regels van het bestemmingsplan in combinatie met de maatvoering op de verbeelding van het bestemmingsplan.
Artikelen 2.1 en 2.1.1 van de regels van het bestemmingsplan.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1318.
Artikel 2.9, derde lid, van de Wabo in combinatie met artikel 4:20b, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 2.7 van de Wabo.
Artikel 2.9, eerste lid, van de Wabo.
Artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb.
De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3150.
Artikel 4:5, vierde lid, van de Awb.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:254.
ECLI:NL:RVS:2022:993.
ECLI:NL:RBZWB:2022:2250.
De rechtbank doet dit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.