Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2022-09-30
ECLI:NL:RBMNE:2022:4053
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,054 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 21/3599 en UTR 21/3722
uitspraak van de meervoudige kamer van 30 september 2022 in de zaak tussen
[eiseres] , gevestigd in [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: P.J.T. Loijen)
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder
(gemachtigde: mr. T. Klinkhamer).
Inleiding
1. De heffingsambtenaar heeft de waarde van onder andere de onroerende zaken aan de [adres 1] en de [adres 2] in [vestigingsplaats] op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) op 1 januari 2018 (de waardepeildatum) bij beschikking van 31 maart 2020 vastgesteld, op € 1.830.000,- respectievelijk € 1.135.000,-. Met deze beschikking is aan eiseres in één geschrift ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente [gemeente] voor het jaar 2019 opgelegd en bekendgemaakt, waarbij deze WOZ-waardes als maatstaf zijn gehanteerd.
2. In de uitspraak op bezwaar van 27 juli 2021 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de WOZ-waardes van deze onroerende zaken. Omdat het bezwaar op een ander punt wel gegrond was zijn proceskosten deels vergoed.
3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en met taxatierapporten.
4. De rechtbank heeft het beroep op 6 september 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, samen met taxateur [taxateur 1] , en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, samen met taxateur [taxateur 2] .
Beoordeling
5. Op de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de WOZ-waarde van de onroerende zaak aan de [adres 1] in [vestigingsplaats] . Afgesproken is dat die waarde wordt vastgesteld op € 1.650.000,- en dat de opgelegde aanslag onroerendezaakbelastingen dienovereenkomstig wordt verlaagd. Partijen hebben bevestigd dat de rechtbank niet meer hoeft te oordelen over deze onroerende zaak.
Geschil
7. Zowel eiseres als de heffingsambtenaar hebben een taxatierapport ingediend. In beide taxatierapporten wordt als uitgangspunt genomen dat sprake is van een incourante niet-woning en wordt getaxeerd op basis van de gecorrigeerde vervangingswaarde, aan de hand van de Taxatiewijzer Verzorging.
8. De heffingsambtenaar handhaaft de vastgestelde WOZ-waarde van € 1.135.000,-. Eiseres staat een lagere waarde voor. Op de zitting heeft de taxateur van eiseres de door haar voorgestane waarde gewijzigd naar € 875.000,-.
De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde niet aannemelijk gemaakt
9. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de dagopvangvoorziening niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de heffingsambtenaar hierin niet geslaagd.
10. Eiseres voert aan dat de heffingsambtenaar ten onrechte is uitgegaan van het archetype “dagopvang op medische gronden”, omdat de cliënten van de dagopvang daar niet op basis van een medische indicatie verblijven. Het zwembad is maar klein en geeft onvoldoende aanleiding om voor het gehele object van de hogere bouwkosten die bij dit archetype horen uit te gaan. Volgens eiseres moet worden uitgegaan van het in de bezwaarfase gehanteerde archetype “dagverblijf voor ouderen of verstandelijk gehandicapten”, waarbij specifiek voor het zwembad eventueel iets hogere bouwkosten gehanteerd kunnen worden. Eiseres wijst er verder op dat de heffingsambtenaar voor enkele bouwdelen ten onrechte een levensduurverlenging heeft toegepast zonder inzichtelijk te maken waar die op is gebaseerd. Volgens eiseres moeten die bouwdelen daarom worden gewaardeerd op de restwaarde. Ten slotte vindt eiseres dat de gehanteerde restwaarde voor het gehele object onvoldoende is onderbouwd.
11. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de aanwezigheid van het zwembad het door hem gekozen archetype rechtvaardigt. Hij wijst er verder op dat de levensduur van enkele bouwdelen langer is gebleken dan oorspronkelijk is ingeschat. De dagopvangvoorziening is nog steeds in functie en er zijn geen signalen dat het gebruik op korte termijn zal worden beëindigd. Voor de restwaarde is de heffingsambtenaar uitgegaan van de taxatiewijzer.
12. Over het gehanteerde archetype volgt de rechtbank het standpunt van eiseres. Tussen partijen is niet in geschil dat de dagopvangvoorziening niet bedoeld is voor cliënten met een medische indicatie en dat het object, afgezien van het zwembad, geen bouwkundige voorzieningen heeft die bij een dergelijke indicatie passen. De enkele aanwezigheid van het zwembad vindt de rechtbank zonder nadere motivering onvoldoende om uit te wijken naar het door de heffingsambtenaar gehanteerde archetype met de bijbehorende hogere bouwkosten voor het gehele object.
13. Over de technische levensduur stelt de rechtbank voorop dat bouwkundige verbeteringen of vernieuwingen aanleiding kunnen vormen voor een verlenging daarvan en voor aanpassing van de restwaarde en het tijdstip waarop die wordt bereikt. Ook in het geval dat de aanvankelijk bepaalde technische levensduur achteraf bezien onjuist is ingeschat, zijn die aanpassingen mogelijk. Het voortdurende gebruik van de onroerende zaak door belanghebbende in dezelfde functie sluit niet uit dat de restwaarde van de onroerende zaak wordt bereikt, maar kan ook aanleiding vormen om bij het bepalen van de technische afschrijving en/of restwaarde af te wijken van de uitgangspunten in de Taxatiewijzer. De heffingsambtenaar moet dan wel aannemelijk maken dat een afwijking gerechtvaardigd is.
14. De rechtbank stelt vast dat de oorspronkelijk ingeschatte levensduur van de installaties van het bouwdeel uit 2002 en van de afbouw en de installaties van het bouwdeel uit 1988 is verstreken. In het taxatierapport van de heffingsambtenaar is de op de waardepeildatum resterende levensduur voor deze bouwdelen bepaald op 5 jaar. De heffingsambtenaar beroept zich op het voortdurende gebruik in dezelfde functie. Naar het oordeel van de rechtbank maakt hij daarmee niet aannemelijk dat de restwaarde later wordt bereikt. Het enkele feit dat de dagopvangvoorziening nog in gebruik is, is daarvoor onvoldoende.
15. De heffingsambtenaar is van het onjuiste archetype uitgegaan en heeft de resterende levensduur niet aannemelijk gemaakt. Alleen al daarom is de vastgestelde WOZ-waarde ook niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank zal daarom de beroepsgrond dat de restwaarden niet aannemelijk zijn gemaakt onbesproken laten. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar, voor zover die ziet op deze onroerende zaak en op de vergoeding van proceskosten.
Eiseres heeft de voorgestane waarde niet aannemelijk gemaakt
16. Omdat de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of eiseres de door haar gestelde waarde aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank beantwoordt ook deze vraag ontkennend.
17. Eiseres heeft een taxatierapport ingediend, waarbij voor de restwaarden van de gebouwdelen van de Taxatiewijzer wordt afgeweken. Gelet op de in overweging 13 aangehaalde rechtspraak is het nu aan eiseres om aannemelijk te maken dat die afwijking gerechtvaardigd is. Daarin is eiseres niet geslaagd, omdat er geen onderbouwing is gegeven voor de gehanteerde restwaarde. De door eiseres voorgestane waarde is daarom ook niet aannemelijk.
De rechtbank stelt de waarde schattenderwijs vast
18. Omdat geen van beide partijen naar het oordeel van de rechtbank er in is geslaagd het van haar gevraagde bewijs te leveren, bepaalt de rechtbank de waarde van de onroerende zaak aan de [adres 2] in [vestigingsplaats] op de waardepeildatum schattenderwijs op
€ 1.000.000,-. De rechtbank bepaalt verder dat de heffingsambtenaar de aanslag onroerendezaakbelastingen overeenkomstig die waarde vermindert.
Vergoeding van immateriële schade
19. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure over haar belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd.
20. De rechtbank toetste dit soort verzoeken om schadevergoeding tot nu toe aan het rechtszekerheidsbeginsel, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6 van het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voor de inhoudelijke toetsing werd aangesloten bij de uitgangspunten daarvoor uit het overzichtsarrest van de Hoge Raad en de daaraan ten grondslag liggende rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
21. Met ingang van 30 augustus 2022 is de Grondwet gewijzigd en is het recht op een eerlijk proces opgenomen in artikel 17, eerste lid. Anders dan het EVRM is artikel 17 van de Grondwet van toepassing op geschillen over belastingaanslagen. Omdat de duur van een procedure bij de belastingrechter niet is vastgelegd in een wet in formele zin, mag de rechtbank de vraag of zo’n procedure in een concreet geval onredelijk lang heeft geduurd toetsen aan deze nieuwe bepaling van de Grondwet. Het toetsingsverbod uit artikel 120 van de Grondwet staat daar niet aan in de weg. De rechtbank zal het verzoek om vergoeding van immateriële schade daarom toetsen aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en het daarin neergelegde recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn. Deze toetsing is inhoudelijk echter niet anders. De bepaling in de Grondwet heeft een ruimer toepassingsbereik dan dat van artikel 6 van het EVRM. Wat de materiële waarborgen van een eerlijk proces betreft heeft de wetgever echter willen aansluiten bij de waarborgen die artikel 6 EVRM biedt voor geschillen over burgerlijke rechten en bij strafvervolging. De wetgever heeft het minimum beschermingsniveau dat artikel 6 EVRM biedt in de Grondwet willen vastleggen.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar, voor zover die ziet op de onroerende zaak aan de [adres 2] in [vestigingsplaats] en op de proceskosten;
- stelt de waarde van deze onroerende zaak vast op € 1.000.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2018 en bepaalt dat de heffingsambtenaar de aanslag onroerendezaakbelastingen overeenkomstig die waarde vermindert;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 500,-;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 360,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 4.088,80 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, voorzitter, en mr. K. de Meulder en mr. J.G.E. Gieskes, leden, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Bouwman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2022.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 31 december 2020 (ECLI:NL:GHSHE:2020:4097), in stand gelaten door de Hoge Raad in het arrest van 14 januari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:25).
Arrest van19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
Kamerstukken II 2015-16, 34 517, nr. 3, p. 4.
ECLI:NL:HR:2022:752