Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2022-09-30
ECLI:NL:RBMNE:2022:3914
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,853 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/4153
uitspraak van de meervoudige kamer van 30 september 2022 in de zaak tussen
het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunnik,het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten,het college van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstein,het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein,het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oudewater,het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht,het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden,het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijk bij Duurstede,het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden, eisers
(gemachtigde: mr. S.M. Schipper),
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, de minister
(gemachtigde: mr. drs. M.A.G. Stolker).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Vermilion Energy Netherlands B.V., uit Amsterdam, Vermilion
(gemachtigde: mr. R. Olivier).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaren tegen het besluit tot verlenging van de aan Vermilion verleende opsporingsvergunning voor koolwaterstoffen Utrecht.
De minister heeft de aanvraag van Vermilion om verlenging van de opsporingsvergunning met het besluit van 15 maart 2021 (het primaire besluit) ingewilligd.
Met het bestreden besluit van 3 september 2021 heeft de minister de bezwaren van eisers hiertegen niet-ontvankelijk verklaard.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vermilion heeft ook schriftelijk gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 5 juli 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, namens de provincie Utrecht mr. [A] en drs. [B] , namens de minister zijn gemachtigde en drs. [C] en mr. [D] , namens Vermilion de gemachtigde en [E] .
Totstandkoming van het besluit
Bij besluit van 25 april 2007 is aan de rechtsvoorganger van Vermilion een opsporingsvergunning koolwaterstoffen Utrecht verleend (Stc. 3 mei 2007, nr. 85). Deze vergunning is verschillende malen verlengd, de laatste keer met het primaire besluit van 15 maart 2021. De opsporingsvergunning geeft Vermilion het alleenrecht om onderzoek te doen naar de aanwezigheid van delfstoffen en gegevens daarover onder andere door middel van het verrichten van een proefboring.
Eisers hebben tegen de verlenging van de opsporingsvergunning bezwaar gemaakt. De minister heeft de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij naar zijn mening geen belanghebbenden zijn bij het besluit. De minister heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. De aan Vermilion verleende vergunning geeft haar het alleenrecht om onderzoek te doen naar de aanwezigheid van delfstoffen en gegevens daarover met gebruikmaking van een boorgat. Dit onderzoek kan bestaan uit bureaustudie, seismisch onderzoek en een eventuele proefboring. Bureaustudie en seismisch onderzoek hebben geen feitelijke gevolgen van enige betekenis voor de ruimtelijke ordening. Het doen van een proefboring kan dat wel hebben. De verleende vergunning geeft echter geen toestemming voor het feitelijk uitvoeren van de proefboring. Voor het verrichten van een proefboring is eerst nog een omgevingsvergunning nodig. Aan eisers is het belang van de ruimtelijke ordening toevertrouwd, maar dit belang wordt door het besluit niet geraakt. De verlenging van de opsporingsvergunning heeft als zodanig immers geen feitelijke gevolgen voor de ruimtelijke ordening van de gemeenten en provincie.Beoordeling door de rechtbank
Eisers zijn het niet eens met het besluit van de minister. Zij vinden dat ze wel belanghebbenden zijn bij het besluit tot verlenging van de opsporingsvergunning.
Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Op grond van artikel 1:2, tweede lid, van de Awb worden de aan een bestuursorgaan toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd.Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is een belang aan een bestuursorgaan toevertrouwd als een wettelijk voorschrift aan dit bestuursorgaan een bevoegdheid tot behartiging van dit belang toekent.
5. De ruimtelijke ordening van het grondgebied van een gemeente is een mede aan het college van burgemeester en wethouders toevertrouwd belang. Hetzelfde geldt voor de ruimtelijke ordening van het grondgebied van een provincie, dat is een aan het college van gedeputeerde staten van de provincie toevertrouwd belang. Dit volgt uit diverse bepalingen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Aan gedeputeerde staten van de provincie is verder het belang van de drinkwaterwinning toevertrouwd. Op grond van bepalingen in de Wet bodembescherming en de Wet milieubeheer zijn gedeputeerde staten verantwoordelijk voor de bescherming van de bronnen waaruit water wordt gewonnen voor de drinkwatervoorziening.
6. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de belangen van de ruimtelijke ordening en de drinkwaterwinning rechtstreeks betrokken zijn bij het besluit tot het verlengen van de opsporingsvergunning.
7. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. De verlening, wijziging en verlenging van vergunningen voor de opsporing en winning van delfstoffen en aardwarmte is geregeld in hoofdstuk 2 van de Mijnbouwwet. In dit hoofdstuk is uitputtend geregeld welke gronden aanleiding kunnen of moeten geven voor weigering van een vergunning, welke voorschriften daaraan kunnen worden verbonden en wanneer een verleende vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken. Artikel 18, derde lid, van dit hoofdstuk van de Mijnbouwwet regelt de verlenging van een opsporingsvergunning. Op grond van dit artikel wordt een aanvraag om verlenging van het tijdvak waarvoor een vergunning geldt slechts ingewilligd indien het in de vergunning vastgestelde tijdvak onvoldoende is om de activiteiten waarvoor de vergunning geldt, te voltooien en deze activiteiten zijn verricht in overeenstemming met de vergunning. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft hierover in een uitspraak van 14 maart 2018 overwogen dat het niet zo is dat de minister, indien aan deze voorwaarde is voldaan, onder alle omstandigheden gehouden is tot verlenging van de vergunning. De minister heeft in dit verband een zekere ruimte om op grond van een belangenafweging van verlenging af te zien. Deze ruimte kan, gelet op het limitatief-imperatieve karakter van de in hoofdstuk 2 van de Mijnbouwwet neergelegde regeling, niet groter zijn dan de ruimte die de minister in zoverre heeft bij de beslissing over verlening of weigering van een opsporingsvergunning.
8. Naar het oordeel van de rechtbank zijn, gezien het voorgaande, de gronden voor het weigeren van een opsporingsvergunning, genoemd in artikel 9 van de Mijnbouwwet, aldus ook voor een besluit tot verlenging van de vergunning van belang.
9. Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, van de Mijnbouwwet bepaalt dat een vergunning geheel of gedeeltelijk kan worden geweigerd indien het in de aanvraag aangeduide gebied door onze minister niet geschikt wordt geacht voor de in de aanvraag vermelde activiteit om reden van het belang van: 1º. de veiligheid voor omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan, voor zover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat,2°.
Conclusie
13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat eisers belanghebbenden zijn bij het primaire besluit en dat hun bezwaar daartegen ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.
14. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken. Omdat de minister nu gehouden is om inhoudelijk te reageren op de bezwaren van eisers, is het ook zo dat de minister eisers alsnog een volledig inhoudelijk dossier ter beschikking zal moeten stellen.
15. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding voor hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.518,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 3 september 2021;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 360,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.518,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, voorzitter, en mr. L.A. Banga en mr. H.H.L. Krans, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2022.
griffier
De voorzitter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2230.
ECLI:NL:RVS:2018:869
Nader gewijzigd amendement van het lid Van Tongeren c.s. ter vervanging van dat gedrukt onder nr. 23, Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34348, nr. 41
Memorie van Toelichting, 34 348, nr. 3, pp. 7 - 9 en 33- 34; Eerste Kamer, 34 041 (en 34 348), E, pagina 10.
ECLI:NL:RVS:2009:BJ1097